Opzet onderzoeksvraag voorbereiding eerste les (opdracht)

Wat is je werkvraag?
In aanloop naar deze opleiding kwam ik tot de volgende vraag; “Hoe kunnen we, binnen de zorg, jongvolwassenen die meer dan ooit ervaren dat de maatschappij er niet voor hen is, blijven bereiken?”

De werkvraag voor de opleiding praktische filosofie mag losgekoppeld zijn van mijn huidige werksituatie of daarin ingebed, zolang ik er maar geen antwoord op weet en het om een persoonlijke leervraag gaat. Het persoonlijke ontbreekt in de eerder geformuleerde vraag. Een persoonlijkere versie is: “Hoe kan ik  jongvolwassenen die meer dan ooit ervaren dat de maatschappij er niet voor hen is, blijven bereiken?” Toen de vraag nog om ‘we’ in plaats van ‘ik’ draaide was het een duidelijke vraag, die vroeg om een tool of handleiding als antwoord. Nu het om mij gaat spelen er andere dingen. Ik moet naar ‘ik’ in plaats van naar een homogeen gemaakte groep onbekenden kijken. Dit zou persoonlijker moeten zijn maar zo voelt het dus niet. De vraag was voor mij interessant en relevant omdat die in het sociologische domein hing. Iets dat geëlimineerd werd toen de ‘ik’ het ‘we’ verving.

In de inleiding voor de opleiding staan een aantal voorbeelden van kleine, particuliere, meer filosofische vragen. Een daarvan is de vraag: “Is er een terugkerend probleem/een frictie/ een dilemma in mijn werk?” Ik merk dat ik op deze vraag aansla. Onlangs hoorde ik in de podcastaflevering ‘Erik Pool over macht en moed van de ambtenaar’ van het ISVW de zin “Kan je doen wat er in je werk van je verwacht wordt?” voorbijkomen. En ik denk dat in die twee vragen samen de sleutel ligt om een persoonlijke, particuliere, werkvraag te formuleren.

In mijn werk tref ik regelmatig jongvolwassenen die zich buiten onze maatschappij voelen staan en vanuit dit gevoel klaar zijn met instanties. Vaak hebben zij een achtergrond in dakloosheid. Zij voelen zich door de samenleving niet gezien waardoor zij het gevoel hebben dat de regels van de samenleving er ook niet voor hen zijn. De uitdaging is dan zo te kunnen tolken tussen de maatschappij en hen zodat er een brug ontstaat. Een brug die zij hopelijk uiteindelijk zelf durven over te steken. Een van de belangrijkste grondhoudingen van de werknemers bestaat dan ook uit het eigen maken van de presentiebenadering. Er echt en oprecht voor de jongvolwassenen zijn, en de hulpverlenersrol te laten vallen zodat zij weer vertrouwen in zichzelf, de zorg en de samenleving krijgen. De laatste tijd heb ik echter vaker en vaker het gevoel dat deze benadering niet altijd meer even toereikend is. De eerste vraag die ik voor deze opleiding dan ook formuleerde was: “Wat als presentie niet meer toereikend is?”. Hieruit vloeide de tweede vraag: “Hoe kunnen we, binnen de zorg, jongvolwassenen die meer dan ooit ervaren dat de maatschappij er niet voor hen is, blijven bereiken?” uit voort.

Een aantal van de jongvolwassenen is moeilijker te verleiden tot zorg. Ze willen helemaal niks met overheid te maken hebben of zijn zo naar binnen gekeerd dat het onmogelijk lijkt om ze nog te bereiken. In een stuk waarin ik de tweede vraag uiteen zette ging ik hier dieper op in. Nu ik de vraag om wil buigen naar een persoonlijke vraag ervaar ik dat ik mij onthand voel en kom ik tot de volgende vraag: “Hoe ga ik ermee om, wanneer ik onvoldoende regie ervaar over iets waar ik wel verantwoordelijk voor ben?”

In deze vraag zit de terugkerende frictie omsloten, ik loop er immers vaker tegenaan dat ik mij gevangen voel tussen wat ik wil, wat er verwacht wordt en hoever de jongvolwassen iets kan of meewerkt. Hierin zit nog een tweede frictie verborgen. Wat ik wil sluit vaak aan bij wat de jongvolwassenen wilt. Ik stel mij, zolang het binnen de perken van verdedigbare maatschappelijke normen en waarden bevindt, dienstbaar aan de jongvolwassenen op. Mocht het ‘willen’ frictie veroorzaken met wat er van mij verwacht wordt of met wat de jongvolwassen kan/meewerkt, kan ik dit lang volhouden totdat het resultaatloos blijkt. Dan loop ik vast. Daarnaast zit er zowel een probleem als een dilemma in de vraag. Het probleem zit hem uiteraard in de eerder omschreven frictie. Het (ethisch) dilemma zit voor mij in het spanningsveld van het aantasten van autonomie door begrenzing (een van de centrale thema’s binnen de zogenoemde bemoeizorg). Begrenzing van zowel de organisatie als de jongvolwassenen. Iedereen leert het best van eigen ervaringen en daarnaast ben ik ervan overtuigd dat iedereen een particuliere bodem heeft die bereikt moet worden om een paradigmashift in te kunnen zetten. Lever ik echter nog verdedigbare ‘goede zorg’ wanneer je iemand keer op keer onderuit ziet gaan terwijl er vanuit de organisatie(s) iets anders verwacht wordt? En wat als het allemaal op niets uitdraait? Heb ik dan wel alles wat ik kan gedaan?

Voor nu is dus mijn werkvraag: “Hoe ga ik ermee om, wanneer ik onvoldoende regie ervaar over iets waar ik wel verantwoordelijk voor ben?”

Maar misschien is die over een week wel weer bijgesteld. Zoals er in de opleidingshandleiding staat: ‘probeer je (…) te verwonderen over het reilen en zeilen om je heen en over hoe je daar zelf in staat.’ Ik denk nu dat het gezond is dit hoe dan ook te blijven doen.