Dit bestand wordt na elke les, huiswerkopdracht en gelezen literatuur geupdate.
1. Plato zegt dat betogen of uiteenzettingen, of ze nu mondeling of schriftelijk zijn, geen inzichten teweeg kunnen brengen. Zij leveren slechts boekenwijsheid op, louter kennis van woorden en beweringen. Hoogstens kunnen zij inzicht in herinneringen roepen bij degenen die het al bezitten. Daar sta ik dan met mijn geschiedenis als column-, & essayist. Dacht ik terwijl ik dit las, maar gelukkig. Om een nieuw inzicht te verwerven is het noodzakelijk zelf een kwestie te onderzoeken, zelf na te denken. Inzicht kan niet zonder persoonlijke inspanning tot stand komen. En dat is precies wat het in elkaar puzzelen van een column of essay voor mij is.
2. “Er is niet, zoals bij teksten, een scheiding tussen de spreker en wat hij zegt, tussen de betoger en betoog.” Zou dit een reden zij om ‘tegen appcontact te zijn’? Ikzelf hoop telkens dat ik met aandacht mijn woorden kies en aandachtig lees maar ik heb geen zicht op hoe de ander dit doet waardoor er eigenlijk geen sprake van een dialoog is.
3. De eerste stap is expliciteren wat iemand meent te weten, ontsporen van de kennis die hij meent te bezitten. Maar wat als iemand letterlijk schijt heeft en zich niet interesseert? Om iets te kunnen leren dient iemand ervan overtuigd te zijn dat er voor hem ook daadwerkelijk iets te leren valt.
4. “Zonder dat iemand hem onderwijst, alleen maar door het stellen van vragen, zal hij tot kennis komen; door zélf zijn kennis naar boven te halen uit eigen koker.” Dit is de anamnese-theorie van Plato, de theorie dat inzicht verwerven in niet-empirische waarheden een vorm van herinnering is, een te binnen brengen van wat – verborgen – ligt opgeslagen in de geest. Tegenwoordig duiden we deze verborgen kennis aan als a priori waarheden, algemene veronderstellingen die ten grondslag liggen aan onze bestaande opvattingen en die door systematisch vragen aan het licht kunnen worden gebracht. Gaan deze a priori waarheden niet gewoon over culturele waarheden?
5. Socrates beweert telkens zelf geen kennis te bezitten. Dat heeft een belangrijk strategisch voordeel. Door te weigeren zelf antwoord te geven op de vraag die ter discussie staat en geen eigen stelling te verdedigen, kan hij zich geheel wijden aan het onderzoeken van zijn gesprekspartner en diens beweringen. Deze Socratische houding past perfect bij mijn werk.
6. Een centraal kenmerk van de socratische methode is voorts het zoeken van definities voor kernbegrippen uit ons dagelijks taalgebruik: wat is kennis eigenlijk, of schoonheid, of waarde, of vriendschap? Of in mijn geval ‘wat is goede zorg?’. Socrates zoekt een constitutieve definitie, een beschrijving van datgene wat iets maakt tot wat het is. Hij zoekt bij wijze van spreken het ‘ding an sich’. Omdat de schrijver van dit boek, expliciet kiest voor het gebruik van ‘ding an sich’ doet hij denken aan Emmanuel Kants uiteenzetting over het ‘ding an sich’. Volgens Kant kunnen mensen nooit de dingen zien zoals ze werkelijk zijn (zoals het ‘an sich’ is). Ookal bekijken wij iets van alle kanten, dan nog zullen al die kanten beïnvloed zijn door onze (culturele) achtergronden en waarnemingen. Hierdoor zullen wij ons nooit een beeld van ‘de werkelijkheid’ kunnen vormen. Wij kunnen enkel onze waarheid zien. Kant en Socrates leefde 2123 jaar uit elkaar en volgens Kant zou wat Socrates wou nooit kunnen. Socrates wou formuleren wat de essentie ergens van vormt, datgene wat in verschillende voorbeelden van ‘Wat is …?’ hetzelfde blijft. Is bijvoorbeeld ‘goede zorg’ in situatie A hetzelfde als in situatie B? Zo nee, is het dan wel een goede definitie van ‘goede zorg’? Zo ja, botst het dan niet met visies op maatwerk. Een botsing die te vermijden is door voorbeelden van maatwerk mee te nemen in de zoektocht naar de essentie. Daarnaast is het dus belangrijk te realiseren dat men zelfs na het vinden van die essentie/’ding an sich’ er altijd nieuwe kennis kan ontstaan die alles wat je weet op losse schroeven zet.
7. Hoe kun je weten of je in een bepaalde kwestie het eindpunt van je onderzoek bereikt hebt, een werkelijk grondbeginsel, een niet verder te rechtvaardigen uitgangspunt? Vragen die gesteld worden die mij zoekend, op losse schroeven staand, misschien zelfs wel radeloos maakte toen ik ze voor het eerst las.
8. ‘Dat wil je de waarheid achterhalen, je het voor je zelf moet doen’ Deze opvatting over het belang van zelfstandig onderzoek en morele autonomie ligt ten grondslag aan heel Socrates’ optreden. Het is hem er niet om te doen een of andere abstracte filosofische waarheid vast te stellen. Het pedagogische doel, iemand tot inzicht in de waarheid brengen, is primair. Het zoeken naar waarheid is steeds een persoonlijk zoeken. Aldus de oude Griek. Maar wat als die zoektocht naar persoonlijke waarheid botst met de samenleving zoals bij bepaalde bewoners op het werk? In hoeverre is het een probleem als iedereen een eigen waarheid heeft?
9. Voor ons zijn geloof of traditie weggevallen als houvast voor normen en waarden. Wij beseffen dat we met elkaar betekenis zullen moeten geven aan leven en werken. Dat geldt voor de samenleving, waar de spanning tussen zelfgerichtheid en consumentisme aan de ene kant en gedeelde waarden en gedeelde betekenis aan de andere kant toeneemt. Wat nodig is, is dat we elkaars belevingswereld gaan delen, dat we elkaars perspectieven beluisteren en begrijpen. “Heb ik daar überhaupt wel zin in?” schreef ik de eerste keer toen ik voorstaande las in de kantlijn. De socratische gesprekshouding vraagt om alles wat je (denkt te weten/)weet aan de kant te zetten. Een kennisvat die ik de afgelopen vijf jaar met veel en hard werken opgebouwd hebt. Gelukkig zie ik inmiddels in dat deze houding star is en aansluit bij wat ik eerder onder punt zes beschreef. Kennis is nooit compleet. Daarnaast is het belangrijk je kennis aan iets nieuws te toetsen maar hiervoor moet je wel open staan voor dit nieuwe dan wel andere anders blijf je het nieuwe altijd toetsen aan wat er al ingesleten is.
10. Het vraagt moed om de veiligheid van (…) bekende mechanismen los te laten. Het socratisch gesprek begint dan ook vaak met de moed om te twijfelen aan je eigen vooringenomen overtuigingen. Iets wat moed vraagt kan, in dit geval, dan ook het beste gezien worden als een persoonlijke uitdaging.
11. David Bohm stelt in zijn boek On Dialogue dat wij ‘Intellectuele fundamentalisten’ zijn. “De mensen die aan een dialoog deelnemen zijn niet echt bereid om hun fundamentele aannames ter discussie te stellen. We hechten zo aan onze kennis dat we een onbewuste reflex tot het verdedigen van onze bestaande inzichten hebben.” Mijn eerste reactie bij punt negen was de reactie van een intellectuele fundamentalist.
12. De stoïcijnse houding houdt in dat je als vragensteller je eigen ongemak verdraagt en wél letterlijk door vraagt op wat er gezegd wordt. Een socratisch gesprek voeren heeft veel te maken met het verdragen van je eigen ongemak. Waar ligt mijn eigen ongemak?/Ligt er onder mijn vraag een ongemak?
13. In een socratisch gesprek verplaatsen deelnemers zich in het hittepunt van de vragen stellen. ‘Wat zou ik doen op het moment dat ik in zijn/haar/hen schoenen sta?’ Is deze vorm van verplaatsen in de ander ook mogelijk bij andere ficties? Zoals een game, film of boek? Of zijn deze te vluchtig omdat er niet eerst andere stappen worden doornomen om je in het hittepunt van de ander te verplaatsen?
14. De onderzoekende houding kan ook zitten in af en toe een stapje terug te doen van snelle oplossingen, af en toe stil te staan bij pijnpunten en knelpunten, en te twijfelen over de vraag of de praktijk van dat moment wel de beste is. Onlangs deden we dit op het werk door te kijken naar een zogenaamd ‘poezenprotocol’. Steeds meer bewoners namen stiekem een kat. De organisatie heeft een nieuwe visie op huisdieren. Dit biedt ons de mogelijkheid dit ook op onze locatie toe te laten mits wij hier zelf te regels voor hebben waar wij achter staan. Regels die pijn- en knelpunten voorkomen.
15. De oude Grieken bedreven hun vorm van politiek zonder rekening met de economie te houden. Zij bekeken ‘hoe te leven?’ en bleven zich afvragen wat op dat moment het goede was om te doen. Deze manier van handelen vraagt in mijn werkveld om zelfstandig denken, niet direct terugvallen op protocollen en echt doen wat nodig is zonder doelmatige door economische motieven gestuurde druk. Deze manier van afvragen wat het goede is sluit aan bij mijn in de eerste les verder uitgeklede werkvraag; “In hoeverre kan je zonder regie te hebben verantwoordelijkheid dragen?”
16. “Moet je altijd eerlijk zijn?” was de morele oefenvraag die ik koos om op via de socratische methode op doorgezaagd te worden. Aangezien er altijd een actueel, feitelijk voorbeeld aan een vraag gekoppeld moet worden vertelde ik de vraagsteller over een werksituatie waarin politie mij vroeg informatie met niemand te delen terwijl wij als teamcultuur zeer hoge waarde hechten aan openheid en eerlijkheid. De vraag ‘Waar ligt je loyaliteit?’ was misschien niet helemaal volgens de socratische methode maar werkte wel uitermate verhelderend en is denk ik ‘de vraag’ die gesteld moet worden wanneer het gaat over eerlijk zijn.
17. Een tweede, klassikaal oefengesprek werd de vraag: “In hoeverre is openlijk twijfelen een kenmerk van goed leiderschap?” behandelt. De meningen over deze vraag liepen uiteen. Nadat de situatie omschreven was en mensen zich hadden ingeleefd in de vraagsteller kwamen er uiteenlopende antwoorden. Een ding hadden deze echter gemeen. Het antwoord ligt in het antwoord op de vraag: “wat verwacht je van het team waar je leiding aan geeft?”. Denk je dat je een mes in de rug krijgt bij het vertonen van zogenaamde ‘zwakte’? Verwacht je dat zij zonder te twijfelen orders opvolgen? Zoals nodig is bij een brand of in het leger? Of verwacht je dat zij hun twijfels ook met hun leidinggevende in plaats van enkel een ‘jury of peers’ durven te delen?
18. De moeite van het loslaten van je eigen kennis en bagage is iets waar ik mij tijdens de eerste les vaak mee geconfronteerd voelde. Het sluit aan bij het conflict dat ik bij de eerder geschreven overpeinzingen 1 & 9 ervaarde. Het moeten loslaten van de geschreven en gelezen kennis speelde in die beide gevallen een belangrijke rol. De praktijk van de les benadrukte nog maar eens hoe moeilijk dat is. Wanneer ik bewust een gesprek in ga om een nieuwe techniek eigen te maken voelt het vat van gesprekstechnieken, psychoanalyse en sociologische kennis als een obstakel in plaats van een houvast.
19. In een zoektocht naar werkvoorbeeld om mij over te verbazen liep ik de afgelopen week tegen het volgende aan. Collega’s van een andere beschermd wonen locatie boden een nood/crisisbed aan een van onze bewoners omdat hij/zij/hen op dat moment niet veilig was op onze locatie. De bewoner had geen eigen telefoon (hij/zij/hen had wel de kans en financiën om dit te regelen maar deed dit niet, dit is echter niet van belang voor wat hier verder wordt besproken) en moest een telefonische intake houden om een veilige vervolgplek te krijgen. Het team op de noodlocatie weigerde echter hun werktelefoons hiervoor te lenen. Dit viel volgens hen onder begeleiding en volgens het protocol noodbed leveren zij enkel bed, bad en brood. Mijn verbazing hierover laat zich het best omschrijven als een vraag, en wel; zorgen protocollen ervoor dat werknemers niet meer zelf denken? En maakt het ze hierdoor handelingsonbekwaam?
20. Onlangs las ik in Rob Wijnberg zijn boek Voor ieder wat waars, over de geschiedenis van waarheid en de waarheidsbotsingen in onze huidige tijd. Volgens Wijnberg kunnen we deze overbruggen door te kijken naar onze overeenkomsten en wat we samen als mens bereiken. Het loslaten van wat je denkt te weten over je eigen individuele waarheid en zoeken naar overeenkomsten doet mij denken aan de Socratische Gespreksvoering. Beide zijn enkel mogelijk als je je persoonlijke en culturele overtuigingen los laat. Hierin ligt een antwoord op de vraag die ik mij bij aanmelding van de studie praktische filosofie stelde. ‘Hoe kunnen we, binnen de zorg, jongvolwassenen die meer dan ooit ervaren dat de maatschappij er niet voor hen is, blijven bereiken?’ Door te kijken naar wat wij samen kunnen bereiken en waarheidsopvattingen uit de gesprekken te strippen.
21. “Vaak spreken we onszelf streng toe, vinden we dat we tekortschieten, dat we niet voldoende aan een ideaal of norm. Daarbij voelen we schuld, schaamte, angst, medelijden, berouw… Dan zijn het de droeve passies die ons animeren. Voor Spinoza is deze weg niet heilzaam. Hij pleit voor een reflectief onderweg-zijn, waardoor we anders en beter met onszelf kunnen omgaan. Niemand is dus verder verwijderd van het filosofische ideaal dan de moraalridder. Die getuigt van gebrek aan inzicht in zichzelf en de wereld, en van een ijdele zelfoverschatting: de moraalridder wil dat ieder leeft volgens zijn normen en verlangens.” Las ik in de lesstof uit Door Spinoza’s Lens van Tinneke Beeckman. In de kantlijn schreef ik direct; ‘Is dit van toepassing op de huidige onderzoeksvragen?’ In hoeverre kan je verantwoordelijkheid dragen zonder regie te ervaren.’ & ‘Is het mogelijk iemand door begrenzing in zijn/haar/hen volwassen autonomie gedwongen mee te laten doen aan de maatschappij?’ Betreffende de eerste vraag biedt Spinoza’s anti moraalridder houding, voor zover ik zie, geen handvaten. Bij vraag twee lijkt hij echter een handreiking tot een antwoord te geven. Een ander begrenzen in zijn/haar/hen autonomie vanuit moraalridderschap is volgens hem namelijk op voorhand not done.
22. Er word vaak gezegd dat de hulpverlener zichzelf niet te belangrijk en dus vervangbaar moet maken. Dit lijkt haaks te staan op het de manier van werken op mijn werk en op casussen waar de cliënt door menig andere hulpverlener behandeld wordt als een hete aardappel die niemand op wilt pakken.
23. In aanvulling op punt 19 moest ik denken aan een tekst die ik eerder voor mijn werk schreef. Afkomstig uit Teammonitor verbeterplan te aanzien van aspect 1 vakmanschap en 7 scholing & leren. “Vakmanschap is volgens de Van Dale ‘grote bekwaamheid in een vak hebben’. Volgens een literatuurstudie van het Kohnstamm Instituut uit 2017 is vakmanschap in de zorg: “Verantwoordelijkheid dragen en problemen zelfstandig kunnen oplossen naast het vermogen om taken te coördineren”. Nadrukkelijk wordt benoemd dat het van belang is dat vakmensen de ruimte krijgen om hun professionaliteit te gebruiken en regels en protocollen niet te veel de overhand krijgen. Belangrijke factoren die het leren van vakmanschap op de werkplek bevorderen zijn autonomie, voldoende variatie en complexiteit in het werk, participatie en beslissingsruimte, communicatie, ondersteuning en feedback, toegang tot informatiebronnen en niet te veel werkdruk.” Deze tekst, die ondersteund is door de werkgever, geeft met de zinnen; ‘Verantwoordelijkheid dragen en problemen zelfstandig kunnen oplossen’ en ‘Nadrukkelijk wordt benoemd dat het van belang is dat vakmensen de ruimte krijgen om hun professionaliteit te gebruiken en regels en protocollen niet te veel de overhand krijgen’ een kader voor het kijken naar mijn hoofdvragen.
24. In het sociaal werk bestaan geen domme vragen. Ons werk is ‘dood’ wanneer je je nieuwsgierigheid inslikt.
25. In de telefoonsituatie van punt 19 was er sprake van een oplossingsgericht gesprek. Dit verschoof naar een fundamenteel gesprek op het moment dat het niet meer ging over de cliënt die moest bellen maar over het ‘waarom’ van het niet uitlenen van een telefoon. Hierdoor dreigde het gesprek te vertroebelen en te klappen. Er was geen duidelijke lijn meer.
26. Om meer inzicht te krijgen in de onderliggende structuur van de telefooncasus paste ik de vragen rondom de kardinale deugden van Aristoteles toe.
-Matigheid: Welk verlangen moet ik temperen? Het verlangen dat de ander in deze situatie net zo zou handelen als ik.
-Moed: Welke angst of ongemak moet ik verdragen? Het ongemak van van onmacht. Welk inzicht levert dit op? Dit ik in dit gesprek niet kan doen wat ik wil (de ander overtuigen alsnog een telefoon uitlenen).
-Wijsheid: Waarvoor ben ik blind? Wat moet ik onder ogen zien? Welk inzicht levert dit op? Het systeem/keurslijf/mensen die hier aan vast houden buigt niet mee. Ik moet dit loslaten om er omheen te kunnen werken.
-Rechtvaardigheid: Zie ik het grote geheel? Wanneer is er balans? Wanneer komt alles en iedereen tot zijn recht? Wel inzicht levert dit op? Balans is er wanneer gedaan word wat nodig is om cliënt verder te helpen. Om iedereen tot zijn recht te laten komen moet ik de mensen die aan het protocol vasthouden loslaten en uit buiten de kaders denken om mijn eigen onmacht los te kunnen laten. Alleen zo is er een oplossing mogelijk waarbij iedereen tot zijn recht komt.
27. Nu blijkt dat de telefooncasus voortkomt uit ‘onmacht voelen binnen een keurslijf’ haakt deze aan bij mijn hoofdvraag: ‘In hoeverre kan je verantwoordelijkheid dragen zonder regie te ervaren?’ Onmacht voelen binnen een keurslijf is het niet ervaren van regie terwijl je verantwoordelijkheid wilt pakken. Het niet ervaren van regie is onmacht. Door die los te laten en om het gene dat die onmacht creëert heen te denken pakt men de regie terug. Zolang dit om-heen-denken gefaciliteerd word door de werkgever kan men weer verantwoordelijkheid dragen.
28. Moet om-heen-denken gefaciliteerd worden door een werkgever? Of is niet in de weg staan/niet afkeuren genoeg? En wat betekend dit voor ‘hete aardappel casussen zoals beschreven in 22?
29. Volgens Spinoza is er altijd een samenspel tussen kracht (potentia) en macht (potestas: Macht van jou op andere en van andere op jou). De aanwezigheid van potestas is deels onvermijdelijk want we leven altijd in een politieke en/of sociale context. Potentia kan leiden onder andermans Potestas over jou. Dit is in zekere zin van toepassing op mijn vragen. Als het nu gaat om ‘In hoeverre kan je verantwoordelijkheid dragen zonder regie te ervaren?’ of om de subvraag ‘Is het mogelijk iemand door begrenzing in zijn/haar/hen volwassen autonomie gedwongen mee te laten doen aan de maatschappij?’. Bij de hoofdvraag belemmerd iemand potestas mijn potentia en bij de sub is de vraag of ik de potentia van de ander mag indammen (met als hoop dat deze later extra opbloeit).
30. Moreel handelen kan volgens Spinoza op twee manieren; “1. Actie: Als je naar redelijk inzicht weet wat je kan doen. 2. Aanvaarding: Als het niet in je macht ligt iets te veranderen, loslaten. Zonder last van het kwade geweten te krijgen. Lijden hoort overigens bij het leven, de mens is nu eenmaal beperkt. Dit is een inschatting die je zelf moet maken naar aanleiding van jezelf en de wereld rondom jou. Hou er daarbij rekening mee dat de wijze nooit ter kwade trouw handelt. Vriendschap, moed en generositeit zijn hierbij blije passies.” Ik moet mij dus afvragen of het bij beide vragen in mijn macht ligt iets te veranderen en zo ja of ik naar redelijk inzicht weet wat ik kan doen.
31. Wanneer dingen (landen, werkplekken, etc) technocratisch (een gecontroleerde en continu om verantwoording vragende houding) aangestuurd worden sijpelt er veel regie (en daarmee kracht) weg. In de zorg is het dan ook van belang de technocratische houding van de financierders zoveel mogelijk in twijfel te trekken.
32. Volgens Spinoza werken angst en hoop even verlammend. Als voorbeeld van verlammende hoop moet ik denken aan Lisa Doeland’s boek Apocalypsofie. Hierin stelt zij dat we de biodiversiteit, het klimaat en onszelf niet gaan redden zolang we blijven hopen. We moeten inzien dat het al te laat is. We zitten al in de apocalyps/klimaatcatastrofe. Enkel dit inzicht zou ons in beweging tot anders handelen krijgen en erger voorkomen. Dit lezend en schrijvend denk ik aan het nummer 15-38 van Birds in Row en zing mee; “We already lost the world!” Maar denkend aan de hoop zoals beschreven aan het eind van 29 (Hoop hebben dat een daad in het heden iemand meer in zijn potentia zet in de toekomst) vraag ik mij af of alle hoop, altijd fout is. Dit lijkt mij een superlatief en ik vraag mij af of dit verder onderzocht moet worden of als dit überhaupt al teveel botst met iemand autonomie. Oftewel is het aantasten van autonomie door begrenzing moreel handelen wanneer er hoop (dus geen zekerheid) is dat dit in een later stadium positief voor de ander uitpakt? Potestas op iemand gebruiken in de hoop op meer potentia voor diegene in de toekomst.
33. Om meer inzicht te krijgen in de onderliggende structuur van mijn hoofd en sub vraag pas ik hieronder de vragen rondom de kardinale deugden van Aristoteles toe. Als eerste voor de subvraag; ‘Is het mogelijk iemand door begrenzing in zijn/haar/hen volwassen autonomie gedwongen mee te laten doen aan de maatschappij?’
-Matigheid: Welk verlangen moet ik temperen? Wat is mijn onhandig verlangen? Welk inzicht levert dit op? Het lijkt voor de hand liggend om te antwoorden dat ik het verlangen moet temperen dat iedereen meedraait in de maatschappij maar dit verlangen heb ik niet. Een ieder mag voor zich bepalen als hij/zij/hen dit wil. Het wordt echter anders wanneer een derde van mij verlangt dat ik iemand laat meedraaien. Hier duikt dan ook meteen mijn hoofdvraag op: kan ik deze verantwoordelijkheid dragen wanneer de regie bij degene ligt die dit niet wilt? Mijn onhandige verlangen ligt denk ik dan ook dieper. Ik vind dat niemand gedwongen moet worden tot iets wat hij/zij/hen niet wilt.
-Moed: Welke angst of ongemak moet ik verdragen? Welk inzicht levert dit op? Het ongemak dat ik niet kan doen wat er van mij verwacht lijkt te worden (iemand zoveel mogelijk laten meedraaien).
-Wijsheid: Waarvoor ben ik blind? Wat moet ik onder ogen zien? Welk inzicht levert dit op? Ik twijfel of ik de hierboven benoemde verwachting niet aan mijzelf opleg. Wie is degene die dit van mij verwacht? Niet de cliënt want die wilt niet? De organisatie? De financiële technocraten? Mijn eigen gevoel mij te moeten verantwoorden?
-Rechtvaardigheid: Zie ik het grote geheel? Wanneer is er balans? Wanneer komt alles en iedereen tot zijn recht? Wel inzicht levert dit op? Aangezien ik de vorige vraag niet met een concreet antwoord kan beantwoorden mis ik het groter geheel. De balans lijkt nu ‘leven en laten leven’ voor de cliënt maar dit veroorzaakt een kwade geweten bij mij. Hierdoor vraag ik mij ook af als ik zelf genoeg geloof in de in 32 omschreven ‘hoop in de toekomst’. Het makkelijke antwoord voor nu is: Alles komt tot zijn recht als de technocraten niet bepalen wat ‘het goede’ is. Maar met dat antwoord heb ik volgens mij nog lang niet alle kanten van dit probleem overdacht.
34. En bij deze pas ik de in 33 omschreven stappen toe op de hoofdvraag; ”In hoeverre kan je verantwoordelijkheid dragen zonder regie te ervaren?’
-Matigheid: Welk verlangen moet ik temperen? Wat is mijn onhandig verlangen? Welk inzicht levert dit op? Ik neig hier te antwoorden dat ik zowel het verlangen van verantwoordelijkheid dragen als regie ervaren moet temperen. In principe zou dit antwoord mijn probleem als sneeuw voor de zon laten verdwijnen. Wille het niet dat ik last zou krijgen van het kwade geweten (schuld) omdat niemand anders dan (de in 22 beschreven) hete aardappel oppakt. Dit botst, bij zowel actie als aanvaarden, met het kwade geweten (willen doen wat verwacht wordt aan de ene kant vanuit cliënt aan de andere vanuit organisaties). Ik denk dat hier, voor zover dat nodig is, nu dan ook geen eenduidig antwoord op kan geven en dit verder moet exploreren door gebruik te maken van Miriam van Reijen’s ‘Recht doen aan de werkelijkheid’ oefening.
-Moed: Welke angst of ongemak moet ik verdragen? Welk inzicht levert dit op? De angst om los te moeten laten maar tegelijk afgerekend te worden. Hiermee zeg ik dus eigenlijk dat ik bang ben niet aan verwachtingen te kunnen voldoen. Ongeacht of deze vanuit de organisatie(s) of cliënt komen.
-Wijsheid: Waarvoor ben ik blind? Wat moet ik onder ogen zien? Welk inzicht levert dit op? Dat ik de verantwoordelijkheid niet kan dragen als ik geen regie krijg. Mijn potentia word dan teveel getemperd. De regie en verantwoordelijkheid liggen bij één persoon of beide worden gedeeld. Het ene kan niet bij A liggen en het andere bij B.
-Rechtvaardigheid: Zie ik het grote geheel? Wanneer is er balans? Wanneer komt alles en iedereen tot zijn recht? Wel inzicht levert dit op? Er is balans wanneer duidelijk is wat wederzijdse verwachtingen zijn. Zowel tussen uitvoerder als organisatie als tussen uitvoerder en cliënt. Zij moeten alle drie van elkaars regie en verantwoordelijkheidsverdeling op de hoogte zijn om een werkbare situatie te creëren.
35. Met Miriam van Reijen op Spinoza gebaseerde oefening ‘Recht doen aan de werkelijkheid’ kan een mens rationeler kijken naar een groter geheel. De oefening helpt passies (dat deel dat de negatieve emoties betreft) onder ogen te zien en te ontdekken welke onware norm je hanteert. Zo kan je afstand nemen en het grotere geheel zien. Ik pas hier de stappen uit deze oefening toe om een antwoord te kunnen geven op de machtigheid vraag die gesteld werd in de in 34 toegepaste kardinale deugdenvraag.
Stap 1: Formuleer het dilemma.
Ik vraag mij af wel verlangen ik moet temperen wanneer ik kijk naar de vraag ‘In hoeverre kan je verantwoordelijkheid dragen zonder regie te ervaren?’ Ik neig hier te antwoorden dat ik zowel het verlangen van verantwoordelijkheid dragen als regie ervaren moet temperen. In principe zou dit antwoord mijn probleem als sneeuw voor de zon laten verdwijnen. Wille het niet dat ik last zou krijgen van het kwade geweten (schuld) omdat niemand anders dan (de in 22 beschreven) hete aardappel oppakt. Dit botst, bij zowel actie als aanvaarden, met het kwade geweten (willen doen wat verwacht wordt aan de ene kant vanuit cliënt aan de andere vanuit organisaties).
Stap 2: Beantwoord de volgende vragen door je te verplaatsen in het hittepunt/dilemma.
I: Welke negatieve gevoelens ervaar je? Onmacht, schuld en angst (dat iedereen de hete aardappel laat liggen). Schuld komt uit angst voort waardoor ik schuld zoals in Stap 1 benoemd laat vallen en dus twee gevoelens overhoud.
II: Kies 1 van die gevoelens en beschrijf de twee tegenstrijdige gedachten die daaraan ten grondslag liggen (A&B). Ik kies voor angst. Op dit moment lijkt onmacht mij de angst om niet te kunnen handelen zoals je wil. De gedachten die hieronder liggen zijn.
A: Ik ben bang ergens op afgerekend te worden terwijl ik geen regie ervaar.
B: Ik ben bang dat niemand de cliënt helpt wanneer ik het niet doe (Dit is eerder almacht dan onmacht).
III: Welke normen liggen ten grondslag aan deze gedachten?
A: Je mag iemand niet afrekenen op andermans keuzes.
B: De cliënt moet geholpen worden.
IV: Welke van deze gedachten/normen is onwaar (gebaseerd op emotie, wensdenken, oordeel)? Beide normen zijn onwaar.
A: Draag je niet altijd verantwoordelijkheid voor je handelen? Is het niet juridisch dan wel emotioneel? Ook als je enkel de keuzes van een ander uitvoert ben je (binnen de door mij geschetste context van het werkveld) in staat om iets niet te doen en dus verantwoordelijk voor de dingen die je wel doet. Het opvolgen van andermans regie is een vrijwillige keuze. Al helemaal wanneer je door een gevoel van onmacht het idee hebt dat je eigenlijk anders zou willen handelen. Er zijn uiteraard voorbeelden in het werkveld waarin de, eerder (in 29) beschreven, potestas de potentia kan benadelen maar ook dan ben je altijd zelf nog verantwoordelijk.
B: De cliënt heeft net zo hard recht op hulp als dat een tot cliënt gemaakte recht heeft op het niet aanvaarden van hulp. Een TBS’er is niet verplicht behandeling te ondergaan en in de wet verplichte GGZ (Wvggz) staat dat patiënten zo veel mogelijk regie moeten kunnen houden. Daarvoor zijn verschillende manieren: Patiënten kunnen verplichte zorg voorkómen door een eigen plan van aanpak te maken. Ook kunnen zij zelf aangeven welke verplichte zorg zij het minst schadelijk vinden voor zichzelf.
V: Formuleer een nieuwe gedachte waarmee je de onware gedachte neutraliseert.
Je draagt altijd verantwoordelijkheid voor je handelen, ook als je besluit te handelen terwijl je geen regie ervaart. De ervaren onmacht is een eigen opgelegde onmacht, behalve wanneer de cliënt regie neemt en besluit niet te handelen. Deze is namelijk altijd vrij om er voor te kiezen geen zorg af te nemen. Het gevoel van onmacht wat er in zo een situatie ontstaat is een gevoel van angst dat de cliënt een verkeerde keuze maakt.
Officieel volgen er nu nog twee stappen in deze oefening. Hierin verplaats ik mij naar de andere stakeholders in dit “probleem”, bespreken we hun gedachten en normen (stap 3) en wordt er uiteindelijk een keuze gemaakt die voor een ieder werkt (stap 4). Bij voorkeur gebeurd dit in een dialoog. Aangezien ik dit nu alleen doe en de uitkomst hiervan afhankelijk van de verdere stakeholders zal verschillen (ik kan hier nu dus niks algemeens over zeggen) sla ik voor dit moment deze stappen over.
36. Uit een NRC artikel van Marthe Kerkwijk: “Habermas wijst in 1962 op een uitweg uit de benarde situatie waarin de publieke sfeer verkeert. Hij ziet de mogelijkheid om in kleinere subsystemen van de samenleving toch functionele publieke sferen uit te slijpen, overal waar burgers elkaar ontmoeten. Wanneer het lukt om die kleinere publieke sferen met elkaar te verbinden, kan er toch uitwisseling van argumenten over het algemeen belang plaatsvinden.” Ik zie dit als een pleitbezorging voor een bottom-up achtige structuur waarbij zowel de markt als staat buiten de deur moeten worden gehouden. Eerder in het stuk schrijft Kerkwijk namelijk: “De publieke sfeer komt in een kapitalistische samenleving steeds meer onder de druk te staan: aan de ene kant van de markt (de private sfeer) en aan de andere kant van de staat (de politieke sfeer).” Zowel de markt als de staat zouden zich dienend in plaats van dwingend dan wel dicterend moeten verhouden tot de publieke sfeer.
37. Marthe Kerkwijk: “Wie sociale media werkelijk als democratische publieke sfeer probeert te gebruiken, wordt genadeloos gestraft. Wie iets probeert te zeggen over het algemeen belang wordt hypocrisie verweten; wie van standpunt verandert na overtuigd te zijn door een beter inzicht is zwak of onbetrouwbaar. Resultaat: gebruikers beroepen zich op niets anders dan hun eigen ervaringen, belangen en perspectieven en zetten daarbij hun hakken in het zand want hun identiteit staat op het spel.” Dit gevoel van identiteit die op het spel staat las ik eerder in een andere context in Elke Wiss haar boek Socrates op sneakers. Wiss zegt: “Het verdragen van een vraag, verdragen dat je wordt uitgedaagd, uitgenodigd om te verdiepen, te reflecteren en soms zelfs je eigen spreken en denken onder de loep te nemen, maakt ons angstig en gaan we liever uit de weg. We ontlenen onze identiteit immers grotendeels aan onze opvattingen en overtuigingen. Achter onze uitspraken en opvattingen ligt een heel mens- en wereldbeeld besloten. Geen wonder dat het spannend is om daar afstand van te nemen en ze nog eens opnieuw te bekijken. De reflex is: beschermen.” Beide benoemen hoe het ontstaat dat individuen meningen als feiten zien. Feiten zijn immers een stuk makkelijker te beschermen (die zijn nu eenmaal zo) dan meningen. Meningen vragen om argumenten, reflectie en zelfonderzoek.
38. Toen onlangs een van onze bewoners opgebouwde frustratie agressie op een van mijn collega’s afvuurde reageerde hij door grenzen te stellen. Hij liet zich niet op deze toon aanspreken en ging boven de bewoner staan. Corrigeerde hem. Een andere collega liet dit gebeuren en werd hier later door collega 1 op aangesproken. 2 had echter een andere opvatting en norm. Vond dat je deze vorm van agressie moest laten gaan en hier later op terug komen. In het moment zelf voelde 1 zich zo in de steek gelaten door 2 dat hij ervoor koos om naar huis te gaan. In een gesprek tijdens de vergaring bleek pas dat hier botsende normen onder zaten. Toen deze eenmaal benoemd waren (en niet als fout of goed bestempeld waren) was er een gesprek mogelijk. Wat heeft 1 in het vervolg nodig wanneer hij zich in de steek gelaten voelt zonder dat 2 in een normconflict komt?
39. “Hoe laat jij je soms bepalen door anderen en waarom?” luidt een van de vragen die Tinneke Beeckmans ons meegaf. Deze vraag rondom het beperken van mijn potentia door andermans potestas speelt mee in mijn hoofdvraag. Telkens als ik onmacht of het niet hebben van regie ervaar heb ik de indruk dat mijn potentia beperkt wordt. Daarnaast denk ik dat ik in mijn werk voornamelijk bepaalt wordt door maatschappelijk structuren danwel kenmerken. Als er voldoende woningen voor lage onderkomens waren geweest en deze woningen waren beter verspreid over diversere wijken zou ik bijvoorbeeld al een stuk minder werk hoeven verrichten.
40. Ik denk in zekere zin dat collega 1 uit 38 een moraalridder is. In zijn reactie op collega 2 liet hij merken zijn handelen gebaseerd op zijn norm de enige juiste te vinden en van andere te verwachten net zo te handelen (iets wat ik overigens bij overpeinzing 26 ook bij mijzelf constateerde). In een later gesprek over een ander onderwerp met een andere collega verdedigde 1 ook met hand en tand zijn morele opvatting en verliet hij bozig de ruimte. Een dag later kwam hij hierop terug en gaf aan dat hij er misschien te hard in was gegaan omdat hij niet goed in zijn vel zat.
41. Zelf ben ik, denk ik, ook wel eens onbewust de moraalridder. Zoals eerder aangegeven (40) gebeurde dit als omschreven in 26. Ik probeer mij echter wel zo vaak mogelijk bewust te zijn van mijn morele opvattingen en hoop dat ik hierdoor zo min mogelijk als moraalridder over kom aangezien ik de normen die hierachter liggen wil delen en het niet erg vindt mijzelf eventueel weg te cijferen als dit de algemene zaak ten goede komt (al is dat uiteraard ook weer gebaseerd op een norm, maar dat maakt nog geen moraalridder).
42. Een voorbeeld van hoe ik mijn moraalridderschap heb proberen te temperen en lessen uit deze scholing heb geprobeerd toe te passen was in het weekend na de verkiezingen. Menig bewoner had op de PVV gestemd en wanneer ik heb vroeg waarom volgde: ‘Omdat hij gelijk heeft’. Mijn eerste reactie was corrigeren, afkeuren, etcetera maar dit parkeerde ik en vroeg ‘waarin heeft hij gelijk’. Hierna volgde na verdere doorvraag-vragen vaak een wat inhoudelijker gesprek. Ik heb hard mijn best gedaan niet te oordelen maar dit lukte niet altijd. Ik gaf terug hoe volgens mij de vork in de steel zit. Ik denk niet dat hierdoor uiteindelijk een consensus gesprek is ontstaan of we samen nieuwe waarheden hebben kunnen ontdekken. Wel denk ik dat we naar elkaars denkbeelden hebben kunnen luisteren.
43. Martha Kerkwijk schrijft in haar artikel ‘Gaat Habermas ons helpen bij ons sociale media gebruik?’ over hoe de online ruimte ons democratie bedreigt. Dit heb ik ervaren in de in 42 aangehaalde gesprekken. De bewoners wilde vaak FVD stemmen in verband met hoe deze partij zich online presenteert. Na een stemwijzer o.i.d. kwamen zij uit bij PVV. Het gebrek van causaliteit in de verhalen die online uitgedragen worden (en het gebrek aan tegenspraak in de bubbels) versimpelen het debat zodanig dat er eigenlijk geen debat dan wel deliberatieve democratie meer overblijft. Kan socratische gespreksvoering hier een oplossing voor zijn?
44. Na afloop van de tweede bijeenkomst vroeg een medecursist mij: “Wordt de wereld hier nu beter van? Dat wij hier dit zitten te doen, zeg maar.” Op dat moment reageerde ik wat onverschillig. “Er zijn in ieder geval dingen die slechter zijn voor de wereld die wij niet doen door hier te zijn.” Iets in die richting. Na het lezen van Habermas zou ik echter anders antwoorden. Namelijk met een volmondig “Ja!”, zijn werk laat het belang van delibreren (een manier van overleg dan wel beraadslagen) zien. Door middel van de handvatten van de praktische filosofie wordt men handiger in het delibreren en kan men zo zorgen voor een betere gesprekscultuur in je nabije omgeving. Doordat men op deze manier daadwerkelijk naar elkaar luistert kan polarisatie afnemen.
45. Welke normen zijn functioneel? Welke efficiënt? In mijn werkveld zijn er veel normen over wat goede zorg is. Deze komen meestal voort uit herstelondersteunende zorg, een vorm van zorg die het accepteren van een situatie voorop stelt. Hierdoor staat genezing niet voorop maar wordt er gekeken naar de leefwereld en wat iemand nodig heeft om de situatie te kunnen accepteren. De normen die hieruit voortkomen zijn functioneel aangezien deze zoeken naar wat er in de leefwereld van de persoon toe doet in plaats van koloniseren. Helaas zijn er in het werkveld ook normen die het tegenovergestelde doen. Deze hebben vaak te maken met geld. Denk aan van bovenaf opgelegde normen hoe een hulpverleningstraject eruit mag zien en hoelang deze mogen duren maar ook hoe een medewerker bepaald wordt in zijn manier van hulpverlenen en rapporteren. Dit laatste gebeurt niet alleen door middel van de financiële normen maar ook door middel van protocollen. Vastgelegde gedragingen en manieren van handelen voor lastige situaties worden vaak gebruikt om achter te schuilen en zelf niet meer te hoeven nadenken.
46. Wie zich verdiept in het werk van Habermas over ‘Systeemwereld vs Leefwereld’ kan rondom mijn vraagstuk eigenlijk maar één conclusie trekken; Autonomie willen reguleren is iemands leefwereld willen koloniseren. Habermas zegt hierover: “Als zorgprofessional of ambtenaar ben je een radar in het systeem en kan je een ander in zijn leefwereld frustreren. Zo koloniseer je zijn leefwereld door wat er van jou verwacht wordt. Ironisch genoeg worden er in zowel de zorg als de ambtenarij continu nieuwe systemen opgelegd terwijl ze eigenlijk de leefwereld zouden moeten dekoloniseren, wat terugtrekken betekent. Iedereen met een functie in een systeem heeft vrijheid maar wordt afgerekend op efficiëntie binnen het systeem. Interessant wordt het wanneer je binnen je functie handelt volgens je eigen normen en tegelijk buiten de functies van het systeem. Zo breng je de leefwereld in het systeem.”
47. Kijkend naar mijn eigen functies binnen een systeem, ben ik uitvoerder en een soort van bottom-up-aanjager. Als werknemer heb ik mij simpelweg contractueel geconformeerd met het uitvoeren van wat het systeem van mij verwacht. Wanneer ik dit niet doe, voer ik simpelweg mijn functie niet uit. Toch denk ik dat wij in de zorg (en zoals aangevuld in de les. ambtenarij) nog een functie hebben te vervullen. Aantonen dan wel politiseren wanneer een systeem niet goed functioneert en daarin altijd de leefwereld tegenover het systeem durft zetten. Ik word zelf in zekere zin gekoloniseerd omdat het systeem dingen van mij verwacht die ik moet doen, denk hierbij aan het maken van zorgplannen en het aanvragen van indicaties. Potentia wordt getemd door potestas, voor sommige collega’s hoort dit er gewoon bij maar vele andere zijn niet ‘met mensen gaan werken’ om dit vervolgens voor geldschieters in een papieren werkelijkheid te gieten. Hoe ik zelf andere koloniseer vind ik een moeilijkere vraag, het is inmiddels een cliché maar als cishetero witte man van begin veertig heb ik hier ondanks mijn afkomst uit de lagere klasse een blinde vlek voor.
48. De systeemwereld heeft de neiging macht van boven op te leggen. Hulpverleners schuilen hierachter. Volgens Habermas is dit de verschrikking. Jezelf compleet verschuilen achter je functie. Je vereenzelvigt jezelf zo met het systeem. Ik denk dat dit mij frustreerde in de in punt 19 ingebrachte casus. Daarnaast komt dit naar voren in 45. De leefwereld verdwijnt totaal uit het handelen door je achtergestelde systeem normen te verschuilen.
49. Bewustwording is key. Als je polarisatie wilt voorkomen moet je je bewust worden waar je normen vandaan komen. Begin december 2023 zag ik de voorstelling ‘10 year anniversary’ van theatergezelschap Club Gewalt. Deze voorstelling gaat over blinde vlekken en het dan wel niet bewust toedekken van geobserveerd onrecht. Door in deze voorstelling extra te benadrukken dat zwijgen ook toestemmen is, “zwijgen is de taal van de onderdrukker”, is een van de zinnen die tijdens de voorstelling geschreeuwd dan wel gefluisterd wordt, roept het gezelschap op om moedig te zijn. Je uit te spreken. Maar waar komt die norm van het zwijgen vandaan? Denken dat iets een exces is? Lijfsbehoud? De calvinistische volksaard om je kop niet boven het maaiveld uit te steken? Iets moderners? Niet voor Wokey uitgemaakt willen worden? Uitspreken lijkt polarisatie in de hand te kunnen spelen, maar wanneer dit echt vanuit jezelf komt en je je eigen achterliggende normen kent is er ruimte om te delibreren. Zonder je eigen normen te kennen is het moeilijk om eigen belangen te erkennen en zo ook ruimte aan de belangen van de ander te bieden.
50. Mensen kunnen niet altijd puur rationeel omgaan met elkaar maar met deliberatieve communicatie waarin zij bewust worden van systeem en leefwereld kunnen zij voorkomen dat de systeemwereld de leefwereld koloniseert. Hoe kan je hiermee omgaan? Om te beginnen moet ik een situatie aanstippen waar ik mij ongemakkelijk bij voel om vanuit hier vrij deliberatie toe te voegen.
51. De zoektocht naar de waarden rondom het beperken van autonomie (zoals beschreven bij 46) heeft verschillende dimensies: werkgever, maatschappij, de keten, theorie en ik persoonlijk. Al deze dimensies hebben zo hun eigen waarden die voor het beantwoorden van de vraag onderzocht zouden moeten worden.
52. Doelen in een systeem (zoals ‘participeren’ in mijn hoofdvraag) krijgen een onvermurwbare status. Hierdoor wordt het systeem iets autonooms. Participeren is in dit geval dan ook een autonoom begrip dat vooral betekend dat iemand mee moet doen in de participatie maatschappij. Tegelijkertijd zijn beide begrippen zo algemeen dat het containerbegrippen zijn geworden. Iedereen gebruikt het maar niemand weet wat het precies is. Zo schuilen we achter een doel waarvan we zelf niet weten wanneer er aan voldaan wordt.
53. Is koloniseren een te boute term? Habermas zegt dat de systeemwereld de leefwereld koloniseert. Ergens klinkt koloniseren als een te heftige term en het gebruik daarvan lijkt de last van gekoloniseerde volkeren teniet te doen. Mogen wij onze ‘first world problems’ wel zo wegzetten? En legen we geen claim op leed op deze manier? In de setting van Habermas en het westerse economische systeem waar hij het over heeft is het gebruik ervan echter gerechtvaardigd. Dit systeem is namelijk globaal verspreid en richt zowel volkeren als natuur op precies die zelfde manier als de oude kolonisten schade aan. Misschien zelfs nog wel bruter en onzichtbaarder omdat meer mensen er van profiteren. Door waar dit in het klein of lokaal gebeurd tevens de term ‘koloniseren’ te gebruiken is duidelijk dat ook hier dezelfde systeemwereld schade berokkend.
54. In punt 45 schreef ik: “Helaas zijn er in het werkveld ook normen die het tegenovergestelde doen. Deze hebben vaak te maken met geld. Denk aan van bovenaf opgelegde normen hoe een hulpverleningstraject eruit mag zien en hoelang deze mogen duren maar ook hoe een medewerker bepaald wordt in zijn manier van hulpverlenen en rapporteren. Dit laatste gebeurt niet alleen door middel van de financiële normen maar ook door middel van protocollen. Vastgelegde gedragingen en manieren van handelen voor lastige situaties worden vaak gebruikt om achter te schuilen en zelf niet meer te hoeven nadenken. “, nu las ik onlangs in ‘Mag niet bestaat niet‘, een uitgave van de actieonderzoekers van het Instituut voor Publieke Waarden, het volgende: “De protocollen zijn er natuurlijk om routinematig en het liefst zo effectief mogelijk te kunnen werken. Maar de procedures helpen dus ook om routinematig vast te stellen om iemand niet te helpen. Om niet meer af te wegen maar standaard af te wijzen. (…) Professionals mogen kortom legitimeren waarom zij niet kunnen helpen, zonder vast te stellen hoe het probleem dan wel opgelost moet worden.” Zij vullen hier echter aan toe dat dit niet altijd iets slechts hoeft te zijn. “Als duidelijk is dat jij of jouw organisatie iemand niet kan helpen, heeft het geen zin om lang te zoeken of mee te denken hoe iemand dan wel geholpen moet worden. Zeker niet als een organisatie daar niet de competenties of mogelijkheden voor heeft. Professionals moeten ook gewoon het werk kunnen doen waar ze goed in zijn.” Dit schept kaders voor wanneer het behulpzaam kan zijn om tegen de systeemwereld te strijden en wanneer niet (tegelijk creëert ook dit weer een systeem).
55. In navolging tot punt 54 wil ik casus X. bespreken. X. woonde op mijn werkplek maar besloot terug te gaan naar de crisisopvang. Op onze plek voelde X. zich niet veilig maar een veiliger traject in een andere omgeving met meer zorg wilde zij niet. Ondertussen verliep de indicatie van X. (recht om bij ons te wonen) omdat zij in het jaar ervoor geen zorg afnam. Ik vond het belangrijk dat X. op een goede plek terecht komt en aangezien X. onder onze zorg viel leek mij dit vanzelfsprekend. Ik irriteerde mij dan ook ernstig wanneer andere binnen de organisatie hier laconiek mee omsprongen en niet verder keken dan hun standaard oplossing. Nu de indicatie echter verlopen is en X. er zelf voor heeft gekozen naar de crisisopvang te gaan in plaats van het door derden aangeboden traject vervalt mijn zorgplicht en ligt deze bij de crisisopvang. Ik heb veel last gehad van dit traject en de vele fricties die er in het vinden van een geschikte plek voorbij kwamen. Dat deze plek nog steeds niet gevonden is, is op zijn zachts gezegd zuur maar tegelijkertijd ligt het nu buiten mijn macht om hier iets aan te doen en moet ik leren loslaten. Bij hulp vanuit de crisisdienst is X. nu veel beter geholpen.
56. Ik kreeg onlangs de vraag waarom mijn onderzoeksvraag het woord ‘volwassen bevatte in: “Is het mogelijk iemand door begrenzing in zijn/haar/hen volwassen autonomie gedwongen mee te laten doen aan de maatschappij?” Wat bedoelde ik met volwassen? Bij de opzet van de vraag koos ik dit woord te gebruiken omdat bij 18-‘ers gedwongen autonomie ontnemen een heel ander vraagstuk is dan bij 18+’ers. Ik realiseer mij dat ‘volwassen’ ook kan betekenen 25+, wanneer de hersenen volgroeid zijn, mensen met ‘volwassen’ gedrag, etc. Ik moet de vraag dus aanpassen naar “Is het mogelijk een 18+’er door begrenzing in zijn/haar/hen autonomie gedwongen mee te laten doen aan de maatschappij?”
57. Katrien Schaubroeck over Iris Murdoch in Een filosofie van de liefde: “In het innerlijke vindt morele activiteit plaats. Maar niet zoals Sartre denkt. Het belangrijkste morele vermogen waarmee je kennis van het goede verwerft, is niet je wil, maar je waarneming. (…) De morele prestatie bestaat erin dat je niet meer hoeft te kiezen, zodra je beseft wat het juiste is om te doen. In een niet mis te verstane aanval op Sartres vrijheidsconcept zegt Murdoch dat de vrijheid die ertoe doet in het morele leven, niet de vrijheid is om lukraak te kunnen kiezen tussen zo veel mogelijk opties. Dat soort vrijheid is een waanbeeld.” WAT ZEGT SIMON HIEROBER??/
58. Iris Murdoch zegt: “In tegenstelling tot slechte kunst, in tegenstelling tot ‘happenings’, is goede kunst bij uitstek iets buiten ons om. Goede kunst weerstaat ons bewustzijn.” Met happenings doelt zij op acties van kunstenaars als Allan Kaprow in de jaren zestig. Happenings zijn volgens wikipedia; ‘een spectaculaire openbare, spontaan lijkende maar vooraf bedachte gebeurtenis, bedoeld om de openbare orde op een ludieke manier te verstoren, zodoende te choqueren, en daarmee als star en ouderwets ervaren denkbeelden belachelijk te maken.’ Was dit onder meer onder Kaprow nog een kunstvorm, tegenwoordig lijken dit soort happenings meer een vorm van politiek protest. Denk aan de bijna festivalachtige sfeer op de A12 tijdens de blokkades van Extinction Rebellion, of half naakte anti-coronaregels sympathisanten in een stoet door Amsterdam. Ongeveer zeventig jaar na Murdoch’s kritiek op de happening is deze voornamelijk toepasbaar op festivals en mega concerten die in no-time uitverkopen. In het geval van festivals vaak voordat er überhaupt programma bekend is. Het gaat om er geweest zijn (ons bewustzijn) en niet om wat iets met je doet, en dus buiten jezelf bestaat.
59. Murdoch sluit perfect aan bij de eerder besproken aandachtige manier van praten/luisteren uit de Socratische methode; ‘De liefde (…) bestaat uit het oefenen van rechtvaardigheid en realisme en echt kijken. Het is moeilijk om de aandacht gericht te houden op de werkelijke situatie, en te voorkomen dat je heimelijk terugkeert naar het zelf met zijn troostende gevoelens van zelfmedelijden, wrok, fantasie en wanhoop. De weigering om aandachtig te zijn kan zelfs een fictief gevoel van vrijheid opwekken: ik kan net zo goed een muntje opgooien. Natuurlijk bestaat deugdzaamheid uit goede gewoontes en plichtsgetrouw handelen. Maar bij de mens wordt de achtergrondtoestand van een dergelijke gewoonte en een dergelijk handelen gevormd door een rechtvaardige manier van kijken en een goed bewustzijn.” De Socratische methode biedt namelijk handvaten om de aandacht gericht te houden op de werkelijke situatie.
60. Paul van Tongeren schijft, naar aanleiding van Kierkegaards De ongelukkigste: Wij zeggen dat iemand ongelukkig is die ‘niet lekker in zijn vel zit’: hij past niet in zijn eigen vel, zijn eigen huis, zijn eigen leven: hij is niet echt of niet echt thuis daar waar hij feitelijk is; hij is feitelijk niet daar waar hij wil of moet zijn, en hij is wel waar hij niet wil zijn. Hij is elders, afwezig. Kierkegaard schrijft: ‘De ongelukkige nu is hij die zijn ideaal, zijn levensinhoud, de volheid van zijn bewustzijn, zijn eigenlijke wezen op de een of andere manier buiten zichzelf heeft.” Eerder in het essay ontleed van Tongeren andere ‘ongelukkigen’ de mensen die niet in het heden maar voornamelijk in de toekomst of het verleden leven. Dit zie ik terug bij een aantal psychotische cliënten. Wanneer hun gemoedstoestand begint te schommelen en zij geen voldoening vinden in het heden beginnen er onsamenhangende verhalen over het verleden en/of een extreme obsessie met plannen voor de toekomst. In een specifiek voorbeeld hangen deze plannen samen met het obsessief bezig zijn met geld, verdeeld over verschillende potjes en continue schuivende doelen en opnames. De ervaring leert dat het helpt om in concreets in het hier en nu te doen. Het liefst iets wat samenhangt met de onrust. Verder praten onder het uitvoeren van een huishoudelijke taak bijvoorbeeld en/of concreet een afspraak inplannen om een in het hier het nu die te maken heeft met ervaren problemen. Het is de kunst om de cliënt aanwezig te laten zijn in de aanwezige tijd.
61. Iemand aanwezig laten zijn in aanwezige tijd sluit aan bij de eerder (in 29, 32, 33 & 41) omschreven diskwalificaties door Spinoza van het concept hoop. Hoop is iets wat iemand in de toekomst plaatst. Kierkegaard zegt hier dan ook over: ‘door de hoop wordt zijn ellende alleen maar gecontinueerd. Het meisje wordt uit haar herinnering gedreven naar een toekomst die haar alleen maar nieuwe teleurstelling zal brengen.’
62. Collectieve zingeving is het bedwingen van de neiging te versimpelen als de buitenwereld complexer lijkt te worden. Mensen organiseren zich op verschillende niveaus. Welke organiserende principes spelen daarbij een rol? Wat voor soort collectieven vormen wij? Welke invloed hebben die collectieven op ons? Als we dit soort vragen centraal stellen, dan ligt het vertrekpunt net bij het individu maar bij de collectieven die over generaties zijn gevormd en waarin we onze individualiteit ons leven lang vormgeven. WAT ZEGT DIT OVER MIJN VRAGEN!?
63. De definitie van de mens als geest/zelf/subject bestaat uit drie verhoudingen.
I. Een verhouding van: A-Eindigheid/oneindigheid (bewust zijn waar je bent, ophoudt en dat je jezelf kan verplaatsen). B-Tijdelijkheid/eeuwigheid (we zijn ons bewust van onze sterfelijkheid maar kunnen onszelf over de grens van geboorte en dood denken, daardoor ontstaat bijvoorbeeld doodsangst). C-Noodzakelijkheid/vrijheid (bewustzijn van het feit dat elke keuze gebonden is).
II. De verhouding die zich verhoud tot zichzelf (het zelf). We zijn onszelf bewust van de verhoudingen uit I en hoe wij ons hiertoe verhouden.
III. En daarin verhouden wij ons tenslotte tot… Kierkegaard zei tot God’s schepping, atheïstische existentialisten zeggen het feit dat we op de wereld zijn gegooid. Uiteindelijk bedoelen beide de zaken om ons heen zoals bijvoorbeeld de zaken waarvan wij afhankelijke zijn of waarde aan hechten. Hieruit ontstaan opgaven en angsten.
64. In de begeleiding zie ik regelmatig dat moeilijke onderwerpen zoals uitingen van racisme of gesprekken over seksualiteit en gender kwesties uit de weg worden gegaan. Tegelijk zijn begeleiders vaak op zoek naar kaders om hun werk makkelijker te maken/ rust op een groep te bewaken/ een lijn aan te houden i.v.m. veel invallers etcetera. Dit is een typisch voorbeeld van de systeemwereld opleggen in plaats van het gesprek over de leefwereld aan te gaan en van hieruit veranderingen te stimuleren.
65. Vrijheid is de taak om een eigen keuze te maken. Een keuze is pas echt een keuze wanneer men hier iedere keer opnieuw voor kiest. In mijn werk ligt die keuze er onder andere keer op keer in het besluiten waar regie en verantwoordelijkheid liggen. Dit is een continue in beweging zijnde lemniscaat (een liggende acht) waarin balans om niet uit de bocht te vliegen erg belangrijk is. Dit uit de bocht vliegen kan ontstaan door het spanningsveld tussen present zijn en jezelf niet te belangrijk maken. Het lemniscaat is de existentie, daar onder ligt een essentie; waarom deze balans er zijn moet. Bij een perfecte balans ontstaat er een emergentie; een overstijgend wij, een nieuwe vorm.
66. Ik weet op moment van schrijven niet goed of ik iedere dag opnieuw voor mijn werk kies. In de weerstand die ik kan voelen rondom situaties met regie, verantwoordelijkheid en keuzes zit interessant en belangrijk zelfonderzoek. Vanuit Kierkegaard rijst de vraag; Maak ik gebruik van mijn vrijheid (in mijn werk) door iedere dag keuzes te maken? Nee, veel gebeurd met achteraf rationaliseren in plaats van vooraf overwegen.
67. De uitslag van 66 doet mijn hoofdvraag; Hou verhoud ik mij tot reeds opgedane kennis en bevindingen rondom mijn hoofdvraag? dan ook aanpassen in: Kiezen we voordat we handelen bewust genoeg waar verantwoordelijkheid en regie liggen? Met als subvraag: En welke band ga je dan aan?
68. Deze hoofdvraag ontleed ik nu doormiddel van de vraagverhelderingsmethode van het filosofisch lab. Vraagverheldering is de meest concrete weg naar een probleemoplossing. Antwoorden opschrijven werkt beter dan uitspraken omdat schrijven om meer precisie vraag. Hoe preciezer de vraag, hoe beter het antwoord.
Vraag: Kies ik voor voordat ik in mijn werk handel bewust genoeg waar verantwoordelijkheid en regie liggen en welke band ik aanga?
Context (iedere vraag dient zich af te spelen in een context om abstracten te voorkomen): Ik ga naar een gesprek met een bewoner en daarna door naar een andere afspraak. Heb ik vooraf voldoende nagedacht over het gesprek?
Knelpunt (waarom zit ik hiermee): Ik zit hiermee omdat ik frustraties op kan lopen. Het gevoel heb tijd te vergooien, nutteloos te zijn of juist te hard ren of teleurgesteld raak. Ik lek hierdoor energie.
Knelpitch (lees het knelpunt en vat dit samen in drie woorden)(woorden uit elkaar trekken en ter weging aanbieden, bij slecht 1 overgebleven woord vragen wat er aan knelt, bij vastlopen opnieuw vragen, blijft het antwoord hetzelfde? Afsluiten): Ik lek energie.
Herformulering vraag (formuleer een nieuwe vraag naar aanleiding van de knelpitch vragen): Hoe krijg ik helder wat ik van mijzelf verwacht , door bewust te kiezen waar verantwoordelijkheid en regie liggen en welke band ik aanga?
62. ‘De werkelijkheid zit problematisch in elkaar en het is typisch menselijk lastige situaties of zo snel mogelijk op te lossen, of ze te vermijden.’ Aldus Dennis de Gruijter.
‘De Stoïcijnen menen dat de natuurlijke aard van de mens redelijk en sociaal is. We zoeken elkaar op, enerzijds op basis van zelfbehoud en anderzijds op basis van behoefte aan gezelschap, intimiteit, gezamenlijke arbeid en betekenis.’ schrijft de Gruijter in … hoe verhoudt dit zich tot de wil van de oude filosoof uit pvt’s les?
Bij Spinoza (en andere verlichtingsdenkers) is eindig/oneindig uit I een harmonie van de zogenoemde ‘substantie’ waaruit wij bestaan. Bij Kierkegaard (en andere existentialisten) is dit geen harmonie maar een absurdistische botsing waartoe we ons moeten verhouden. HIER IETS MEE IN HEY OOG VAN NU EENMAAL ZO ZIJN
69. Annette had het over de cultuur rond zichzelf voorstellen in de geest van Ubuntu. Vraag je eens af: wat laat jij zien? Wat van jezelf kies je om te laten zien, en wat niet? Is dat anders in verschillende contexten? Waarom?
Ik laat niet snel veel van mijzelf zien buiten bepaalde contexten. Ik vind dat mensen te snel hun mening geven en vind het zelf prettig langer op iets te kauwen voordat ik er een mening over vorm. Vaak helpt het mij zelfs om ergens in te duiken, proberen er een gebalanceerd stuk over te schrijven en dan pas in spraak een mening te geven. Pas wanneer ik ergens langer ‘vertoef’ en vaker op deze ‘extreem’ onderbouwde manier mijn mening heb kunnen vormen, durf ik losser meningen te vormen. Wetende dat de fundering waarop deze staan voor mij oké is. Ook vind ik het niet nodig om over alles een mening te hebben. Bepaalde kanten van mijzelf, wat grovere humor en ongefundeerde meningen bewaar ik voor selecte gezelschappen.
70. Hoe verhoud jij je tot je voorouders en nog-niet-geboren nakomers? (Hoe) spelen die een rol in mijn handelingen? Ik denk dat er vanuit de Nederlandse cultuur een soort christelijke volksaard is. Doen wat je moet doen, je kop niet boven het maaiveld uitsteken etcetera. Dit is tot een bepaalde hoogte tot mij gekomen door de katholieke achtergrond van mijn moeders opvoeding. Waar mijn moeder niet meer geloofde maar wel zo was opgevoed, was mijn vader eerder een praktiserend atheïst en zette zich actief af tegen alles wat met het geloof te maken had. Daarnaast had hij vaak een uitgesproken directe mening klaar (iets wat veranderde naarmate hij ouder werd). In zekere zin heb ik diezelfde weg afgelegd. De zorg voor mijn ouders was iets wat ik deed, wat ik niet beter wist en zo ging het met meer. Dingen waren zo omdat ik niet beter wist. Nu ik inmiddels 41 en bewust gekozen kinderloos ben, wijd ik dit gebeurtenissen waarbij er vroeg afscheid van familieleden genomen moest worden en aan al die overwogen keuzes (terwijl het ook gewoon een samenloop is, ik bedoel met een andere partner was ik misschien wel tot een andere overwogen keuze gekomen), maar nu denk ik vooral dat ik, mocht ik wel een kind hebben bepaalde keuzes die onze wereld schaden minder zou kunnen verdragen, ik denk dat ik er een naarder mens van zou worden. Dit schrijvende merk ik overigens dat ik het wat lastig vind dat deze vragen je in zekere zin vragen een verhaal te maken van je verleden, een verhaal dat altijd selectief zal zijn en altijd anders verteld zou kunnen worden.
71. Ubuntu is kort gezegd “ik ben omdat wij zijn”. Wanneer voel jij je het meest deel van een gemeenschap? Wat is daarvoor nodig? En wanneer voel je dat absoluut niet? Wat ontbreekt er dan? Ik voel mij het meest onderdeel van een gemeenschap wanneer ik samen met anderen iets maak. Dit kan iets zoals sfeer zijn, de neuzen dezelfde kant op rondom een maatschappelijk thema/casus, of actief zijn met een politieke partij. Ik heb dus voornamelijk gelijkgestemden nodig. Dit hoeft niet op alle fronten zo te zijn, slechts op het thema waarom we samenzijn is daarbij voldoende. Sterker nog, ik vind het fijn en leerzaam om op een ander front, waarop wij niet samenwerken juist te kunnen en mogen botsen om zo nog in contact te komen met andere zienswijze. Het meest ontheemd voel ik mij op plekken waar mensen voor mijn gevoel vooral met hun ego bezig zijn. Dit kan betekenen dat er mensen zijn die alleen willen zenden, niet luisteren maar wachten op hun beurt om te praten maar ook feesten waar mensen door middel van drugsgebruik meer in zichzelf gekeerd zijn.
72. Wat zou Ubuntu in de praktijk kunnen betekenen? Kan je concrete toepassingen bedenken? Ik denk dat de basisbeginselen van Ubuntu en daarmee ook concepten zoals de commons/meenten en overlegvormen zoals … en burgerberaden een weg uit de polarisatie kunnen bieden.
73. Annette sprak over fragmentatie in de maatschappij. Herken je dat? Waar en hoe zie je dat terug? Zijn er connecties te bedenken met het verhaal van Roos Slegers over techniek en vervreemding? Ik denk dat de techniek een rol speelt in de vervreemding/fragmentatie maar eerder een versneller dan aanjager is geweest. Het privatiseren van meenten onder de vlag van het neoliberaal-kapitalisme heeft mensen individualistischer gemaakt. Iedereen werd meer en meer verantwoordelijk voor zijn eigen overleven/succes (en daarmee ook falen) gehouden. Waardoor er onbewust een competitie-element in ons dagelijks leven is geslopen. Techniek zoals sociale media is een soort gratis rode diesel gebleken die deze beweging vanaf halverwege de jaren 00 versneld heeft. Momenteel versterkt techniek het gevoel van eenzaamheid en nergens bij horen. Denk aan simpele voorbeelden zoals de zelfscankassa, niet alleen stuwen we de winst van de winkel omdat wij hun werk zijn gaan doen, ook is het enige menselijke contact in de winkel gedegradeerd tot een louter controlerende functie.
74. Wat betekenen voor jou de concepten rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid? Wat is daarbij de rol van het individu en die van de gemeenschap? Rechtvaardigheid betekent voor mij het creëren van gelijke kansen, dit kan betekenen dat niet iedereen gelijk behandeld wordt. De rol van het individu en de gemeenschap hierin is bewust zijn dat de vrijheid van het individu ophoudt waar deze de ander schade berokkent. Het is aan de gemeenschap ervoor te zorgen dat dit niet als een betutteling of beknoping ervaren wordt. Verantwoordelijkheid is voor mij achter je daden en de dingen die gezegd heb kunnen staan en eventueel je mening te durven veranderen. Daarnaast is verantwoordelijkheid voor mij handelen met de kennis die je hebt (of een goede reden hebben die kennis te negeren.)
75. Mijn eindpresentatie zou moeten gaan over hoe ik vanuit mijn onmachtvraag terecht kom bij: “Wat ik belangrijk vind en mijn handelen meer op een lijn krijgen”. Deze route kan aangesterkt worden door mijn essay over Habermas. Ben ik zelf een hokje? En in welk systeem functioneer ik? Dit kan door middel van: omslagpunt – conclusie – de weg ernaartoe/gedachtengoed. Hoeveel consensus mag ik doen aan wie ik ben om dienstbaar te zijn aan de werkgever en/of het systeem? Wij zijn zelf immers ook het systeem, zie Foucaults Panopticon. Eindig met een vraag of essentie. Zoek bijvoorbeeld naar een balans tussen innerlijke berusting en actieve verschilligheid/functionele opwinding.
76. Door een ‘Hoe?’ vraag te stellen stimuleer je creativiteit. Dit zijn echter vaak oplossingsgerichte vragen.