Samenvatting literatuur voorbereiding derde les

Marthe Kerkwijk – Gaat Habermas ons helpen bij ons sociale media gebruik?

Een democratie valt of staat bij een gezonde deliberatieve publieke sfeer. Dat is het domein waar burgers in vrijheid met elkaar van gedachten kunnen wisselen over zaken van algemeen belang. Een democratische rechtsstaat beschermt de publieke sfeer met rechten en instituties. Maar de publieke sfeer komt in een kapitalistische samenleving steeds meer onder druk te staan: aan de ene kant van de markt – de private sfeer – en aan de andere kant van de staat – de politieke sfeer.

Habermas wijst in 1962 op een uitweg uit de benarde situatie waarin de publieke sfeer verkeert. Hij ziet de mogelijkheid om in kleinere subsystemen van de samenleving toch functionele publieke sferen uit te slijpen, overal waar burgers elkaar ontmoeten. Wanneer het lukt om die kleinere publieke sferen met elkaar te verbinden, kan er toch uitwisseling van argumenten over het algemeen belang plaatsvinden.

Algoritmes waarop het verdienmodel van mediabedrijven is gebaseerd, benaderen gebruikers echter niet als burgers die argumenten uitwisselen over het algemeen belang, maar als consumenten met persoonlijke voorkeuren. Dat leidt ertoe dat gebruikers zichzelf ook zo gaan zien en het platform vooral gebruiken als een publicatiekanaal van persoonlijke leefstijlkeuzes en meningen. Ze spreken zichzelf en elkaar niet langer aan als burgers die standpunten onderbouwen met het oog op het algemeen belang.

Dit maakt de openheid van sociale media een vreemd gedrocht. Het is een sfeer die vrije uitwisseling belooft, maar de logica en taal van de private sfeer volgt. (…) Het verdienmodel van social media stimuleert zelfexpressie en zakelijke marketing. In de logica van de marktwerking bestaan er alleen producenten en consumenten.

Wie sociale media werkelijk als democratische publieke sfeer probeert te gebruiken, wordt genadeloos gestraft. Wie iets probeert te zeggen over het algemeen belang wordt hypocrisie verweten; wie van standpunt verandert na overtuigd te zijn door een beter inzicht is zwak of onbetrouwbaar. Resultaat: gebruikers beroepen zich op niets anders dan hun eigen ervaringen, belangen en perspectieven en zetten daarbij hun hakken in het zand want hun identiteit staat op het spel.

Jürgen Habermas – Een nieuwe structuurverandering van het publieke domein

Als deelnemers aan een discussie ‘weten’ we dat we niet ‘serieus’ argumenteren wanneer er sprake is van dwang of manipulatie bij zo’n uitwisseling van redenen, wanneer deelnemers worden uitgesloten of wanneer relevante meningen en standpunten worden onderdrukt. We moeten veronderstellen dat in de gegevens situatie alleen de dwangloze dwang van het betere argument tot zijn recht komt.

Er zijn veel praktijken die alleen kunnen functioneren zolang de deelnemers bepaalde idealiserende veronderstellingen maken. In een democratische rechtsstaat bijvoorbeeld zullen burgers hun conflicten alleen via de rechter oplossen als zij ervan uit kunnen gaan dat zij een min of meer eerlijk oordeel kunnen verwachten. (…) Evenzo zullen burgers alleen deelnemen aan politieke verkiezingen als ze impliciet kunnen veronderstellen dat hun stem gehoord wordt en ‘meetelt’. (…) Ook dit zijn idealiserende veronderstellingen. Echter, in tegenstelling tot informele discussies kunnen deze discursieve praktijken die ingebed zijn in overheidsinstellingen hun geloofwaardigheid verliezen. (…) Democratische verkiezingen functioneren niet meer als bijvoorbeeld een vicieuze cirkel ontstaat tussen kansarme niet-kiezers eb de veronachtzaming van hun belangen, of als de infrastructuur van de openbare communicatie uiteenvalt, zodat vage ressentimentgevoelens heersen in plaats van goed geïnformeerde openbare meningen.

Zelfs onder de veranderende omstandigheden van de massademocratie moeten parlementaire wetgeving, partijconcurrente en vrije politieke verkiezingen wortelen in een levendig politieke openbaarheid, een actief maatschappelijk middenveld en een liberale politieke cultuur. Zonder deze maatschappelijke context kunnen de voorwaarden voor deliberatie, die van wezenlijk belang zijn voor de democratische legitimatie van macht, geen poot aan de grond krijgen in de realiteit.

Discussies hebben een epistemische dimensie omdat ze ruimte bieden aan de preferentie-veranderende kracht van argumenten, terwijl compromissen, die tussen machthebbende partners in de vorm van wederzijdse concessies of gezamenlijke voordelen uitonderhandeld worden, bestaande preferenties onaangetast laten.

In politieke discussies gaat het niet alleen over de waarheid van beschrijvende uitspraken, maar ook over de geldigheidsaanspraken die we associëren met normatieve en evaluatieve uitspraken. De rechtvaardigheid van een rechtsnorm kan worden onderzocht vanuit het oogpunt met de vraag of deze, met betrekking tot de kwestie die geregeld moet worden, ‘even goed’ is voor alle betrokkenen; het universaliseringsprincipe speelt hierbij een rol. De leden van een politieke gemeenschap kunnen, aan de hand van het ethos van hun gemeenschappelijke levenswijze een keuze tussen concurrerende waarden onderzoeken vanuit het oogpunt van de vraag wat het wenselijkst is. Daartegenover behoeven preferenties als zodanig geen rechtvaardiging, aangezien dergelijke ‘eenpersoonsuitspraken’ geautoriseerd worden door ieders geprivilegieerde toegang tot eigen wensen. Gerechtigheidsproblemen worden begrepen als cognitieve vraag, terwijl beslissingen over welke waarden voorrang krijgen beschouwd kunnen worden als een deels cognitieve, deels volitieve vraag; als zodanig vormen ze onderdelen van het proces van rationeel gemotiveerde wilsvorming.

Op voorwaarde dat het vermoeden van rationeel aanvaarde resultaten gerechtvaardigd is en de beslissing omkeerbaar blijft, kan de verslagen minderheid, met een mogelijke hervatting van het debat voor ogen, zich aan de meerderheid onderwerpen zonder haar eigen standpunt te hoeven opgeven.

Na de secularisering van de staatsmacht in de moderne tijd namen democratisch gevormde grondwetten ten slotte de rol van legitimatieleveranciers over van de religie. De achtergrondconsensus over grondwettelijke principes die sindsdien onder de bevolking wijdverbreid is, verschilt meestal van een op religie gebaseerde legitimatie doordat hij tijdens de oprichtingsperiode op democratische wijze, dus ook door middel van een deliberatieve uitwisseling van argumenten, tot stand is gekomen. Natuurlijk moet hij zich met elke generatie vernieuwen, anders zouden democratieën niet duurzaam bestaan.

De burgers, van wie verwacht wordt dat ze gehoorzamen aan wetten die gelijke rechten voor iedereen garanderen, moeten zichzelf tegelijkertijd als auteurs van deze wetten kunnen zien. Want alleen als medewetgever, dus door – hoe indirect ook – deel te nemen aan democratische menings- en wilsvorming, kunnen burgers verhelderen in welke gewenste opzichten er sprake is van juridische gelijkheid in het wetgevingsproces. Dit verbindende basisidee creëert de samenhang binnen een democratische gemeenschap. Tegelijkertijd is het ook een bron voor aanhoudende kritiek en onrust.

Men moet uitgaan van de verschillende functies die de politieke communicatie op verschillende gebieden en op verschillende manieren moet vervullen met haar bijdragen aan het gehele deliberatief gefilterde democratische proces. Dan worden de interessante verschillen zichtbaar tussen de functioneel noodzakelijke eisen die aan rationaliteit gesteld kunnen worden.

Zelfs de morele discussie moet eerst uitgaan van de respectieve belangen van de betrokken partijen in het conflict voordat men zich vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid kan afvragen wat in het belang van alle betrokkenen is. Natuurlijk is het zo dat geen enkele democratische gemeenschap kan functioneren wanneer burgers, als burgers én medewetgevers, uitsluitend hun eigen belangen nastreven.

Men moet waken voor een hoerastemming met betrekking tot het simpel exporteren van democratie – vreedzaam of met militair geweld. De liberale democratie is een veeleisende en fragiele staatsvorm, omdat ze alleen door de hoofden van haar burgers heen kan worden gerealiseerd.

Discussies gaan (sic) over redelijke principes en niet over betwistbare waarden. Juist het geklets over ‘onze waarden’, die zogenaamd moeten worden verdedigd tegen de waarden van andere culturen, polariseert de internationale gemeenschap. Als filosoof ben ik van mening dat ‘wij’ goede redenen hebben om de aanspraak op universele geldigheid voor de mensenrechten, als morele grondslag van de democratische rechtstaat, te verdedigen in het interculturele debat. Dit echter alleen onder de voorwaarde dat ‘wij’ aan dergelijke discussies leergierig deelnemen, als een van de partijen.

Dat door de pluralisering van onze samenlevingen de last van de sociale integratie verschuift van het niveau van de lokale levensvormen en de nationale culturen naar dat van staat en politiek. De technologisch versnelde mobilisatie van de levensomstandigheden en vooral de toenemende immigratie uit vreemde culturen zijn hiervan de belangrijke oorzaken. Afgezien van de gemeenschappelijke taal voor het onderling verkeer wordt alles wat burgers van een politieke gemeenschap geacht wordt te delen steeds meer opgehangen aan hun status van staatsburger. Daarom kan de politieke cultuur niet langer samenvallen met de cultuur van de meerderheid die men vanaf de geboorte met zich meedraagt.

De religieuze verdeeldheid in de samenleving die de Europese bevolking vandaag de dag ondervindt als gevolg van bijvoorbeeld immigratie uit islamitische landen kan een bijzonder zware last zijn.

Gezien het feit dat met de juridische en bureaucratisch middelen van de staat hoogstens de scherpe randjes van deze conflicten af kunnen worden gehaald en ze alleen door langdurige acculturatie en socialisatie opgelost kan worden, vraagt u nu wat de bemiddelende rol van deliberatieve politiek kan zijn.

Zoals al in de vraag aangegeven, is het louter politieke feit van een deliberatieve omgang met deze problematiek al bijna belangrijker dan de argumentatie zelf; het is vooral de stijl van deze omgang die eerst ieders ogen voor elkaar opent en vervolgens de mogelijkheid van wederzijds respect tussen de geïsoleerde groepen – de stijl is het argument.

Het wederzijds respect dat voor het publieke gebruik van de rede vereist is is als een politieke deugd (sic). Dit respect heeft betrekking op de persoon van de ander, die als gelijkwaardig burger erkend moet worden; en in verband met het publieke gebruik van de rede strekt het respect zich uit tot de bereidheid om de eigen politieke visie te rechtvaardigen tegenover de ander, dat wil zeggen om met die ander een discussie aan te gaan.

Deze sociaal-cognitieve prestatie is niet relevant voor de discussie over feitelijke beweringen, waarin het er alleen om gaat de argumenten zelf te beoordelen. Maar in praktische discussies wordt over belangen gestreden waarvan het relatieve gewicht alleen kan worden beoordeeld vanuit het perspectief van elkaars leefwereld.

Deze wederzijdse overname van perspectieven, die nodig is om een conflict vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid te bekijken heeft weliswaar een zuiver cognitieve functie, maar de bereidheid om deze inspannende operatie ook in het geval van grote culturele afstanden op te brengen vormt het eigenlijke knelpunt.

Empirische en theoretische vragen kunnen vaker met wederzijdse instemmingen worden opgelost dan praktische conflicten (sic).

Liberale rechten komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ten eerste moeten de burgers die op gelijke voet betrokken zijn bij democratische wilsvorming zichzelf zien als de auteurs van de rechten die zij elkaar toekennen als lid van een vereniging waarin allen vrij en gelijk zijn. In het licht van deze reconstructie kunnen we de erosie van de democratie waarnemen die almaar verdergaat sinds de politiek het min of meer laat afweten tegenover de markten. Vanuit dit perspectief horen democratietheorie en kritiek op het kapitalisme bij elkaar. Ik heb de term ‘postdemocratie’ niet uitgevonden, maar het is een goede verzamelnaam voor de verschillende manieren waarop de sociale gevolgen van een wereldwijd neoliberaal beleid politieke gevolgen hebben.

Jürgen Habermas – Het goede gesprek is ons fundament

Volgens Habermas is de optimale publieke ruimte een omgeving waarbinnen burgers vrij van dwingende machten en als gelijke partners met elkaar in gesprek kunnen gaan over politieke kwesties. (…) Hij vertrouwt erop dat in een machtsvrije discussie het redelijkste argument zegeviert. Rationele discussie en een publieke ruimte die deze faciliteert zijn noodzakelijk voor een goed functionerende democratie en de enige manier om morele vooruitgang te bereiken. (…) Toch komen deze ‘vrije en authentieke’ gesprekken al snel onder druk te staan. (…) Dit komt met name door de toegenomen invloed van het kapitalisme, waardoor de nadruk steeds meer op het eigenbelang is komen te liggen. Bovendien leiden massamedia tot een cultuur van beïnvloeding: burgers overtuigen elkaar niet via argumenten, maar worden door de media en belangenorganisatie gestuurd.

De procedure van democratische zelfbeschikking die haar overtuigingskracht dankt aan de onwaarschijnlijke combinatie van twee voorwaarden: enerzijds vereist de procedure dat alle betrokkenen op wie mogelijke besluiten van invloed zijn, als gelijkwaardige deelnemers aan het politieke besluitvormingsproces deel kunnen nemen. Anderzijds maakt ze de democratische, dat wil zeggen de door alle individuen tezamen opgenomen besluiten afhankelijk van het min of meer discursieve karakter van de overlegvormen waar ze uit voortkomen.

De essentiële maar beperkte bijdrage die politieke communicatie in de publieke sfeer kan leveren aan het gehele democratische proces: Deze (enerzijds) een essentiële bijdrage omdat het de enige plaats is voor een fundamenteel inclusief politiek menings- en wilsvormingsproces waar alle volwassenen en verkiesbare burgers gezamenlijk aan deel kunnen nemen Anderzijds is de bijdrage beperkt, omdat hier in de regel geen collectief bindende besluiten worden genomen.

De impact van de wil van de staatsburgers (…) op de beslissingen van het politieke systeem als geheel, hangt in niet onbelangrijke mate af van de kwaliteit van de bijdrage die de maasmedia aan deze meningsvorming geven.

Kortom, de input die de publieke sfeer wordt binnen gesluisd via onder andere de informatiekanalen van politieke partijen, belangengroepen et cetera.

De veronderstelling dat ook politieke debatten gericht zijn op het doel van overeenstemming wordt vaak verkeerd begrepen.

Integendeel, men kan ervan uitgaan dat de situatie waarin verstandige deelnemers overtuigd zijn van de waarheid of juistheid van hun beredeneerde opvattingen, de politieke geschillen alleen maar aanwakkert en ze een fundamenteel agonaal karakter geeft.

Dit is (…) de pointe van deliberatieve politiek: dat wij in politieke debatten onze overtuigingen kunnen verbeteren en dichter bij de juiste oplossing van problemen kunnen komen.

De institutionalisering van de ontketende anarchistische kracht van het ‘nee’ in openbare debatten en verkiezingscampagnes (…) spreekt niets anders uit dan de wil van de burgers om alleen de wetten te gehoorzamen die zij zichzelf hebben opgelegd.

Het belangrijkste is wat het lot van een democratie bepaalt: (…) moet de geïnstitutionaliseerde wilsvorming als geheel daadwerkelijk zo functioneren dat kiezers van tijd tot tijd bevestiging ervaren voor wat betreft de grondwettelijke consesnsus die zij delen.

De economische, sociale en culturele voorwaarden (sic) waaraan in voldoende mate moet zijn voldaan voor een deliberateve vorm van politiek. Ten eerste vereist actief burgerschap een in brede zin liberale politieke cultuur die uit een kwetsbaar weefsel van houdingen en culture vanzelfsprekendheden bestaat. De morele kern van een dergelijke cultuur is de bereidheid van burgers om elkaar wederzijds te erkennen als medeburgers en gelijkwaardige democratische medewetgevers. Ten tweede vereist een actieve burgermaatschappij een mate van sociale gelijkheid die een spontane en toereikende, maar niet verplichte deelname van het electoraat aan het democratische menings- en wilsvormingsproces mogelijk maakt. En ten derde is het een voorwaarde voor het welslagen van een democratisch regime dat die naam waardig is, dat de sociale staat de tegenstrijdige functionele eisen in evenwicht moet brengen. Het is pas vanuit het perspectief van de politieke economie dat de systematische verbinding tussen het politieke systeem en de samenleving naar voren komt.

Vandaag de dag zijn de tekenen van politieke achteruitgang met het blote oog zichtbaar. Of in welke mate de toestand van de politieke openbaarheid daartoe bijdraagt, zou moeten blijken uit de inclusiviteit van de publieke meningsvorming en de rationaliteit van de in het openbaar verkondigde meningen.

Digitale platforms nodigen niet alleen uit tot het spontaan genereren van intersubjectief bevestigde eigen wereldjes, ze lijken deze communicatie-eilanden ook de epistemische betekenis toe te kennen van concurrerende openbaarheden.

Wanneer we onze blik evenwel verleggen van de objectieve kant van de verbrede mediastructuur en de veranderde economische basis daarvan naar de kant van de ontvangers en de veranderde wijze waarop zij communicaties ontvangen, komen we uit bij de centrale vraag of sociale media de manier veranderen waarop gebruikers de politieke publieke sfeer waarnemen.

Van staatsburgers wordt verwacht dat zij hun politieke beslissingen nemen in het spanningsveld tussen eigenbelang en de gerechtigheid op het algemeen belang.. Doordat delen van de bevolking meer of minder exclusief gebruikmaken van de sociale media, kan de waarneming van de publieke sfeer zodanig zijn veranderd dat het scherpe onderscheid tussen het ‘publieke’ en ‘private’, en dus ook de inclusieve betekenis van de publieke sfeer, vervaagt.

Vanuit het beperkte perspectief van een dergelijke semipublieke sfeer (disrupted public speheres) kan de politieke publieke sfeer van democratische rechtsstaten niet langer worden gezien als een inclusieve ruimte voor de discursieve verheldering van rivaliserende waarheidsaanspraken en de algemene afweging van belangen; juist deze voor iedereen toegankelijke publieke sfeer wordt gedegradeerd tot een van de op gelijke hoogte concurrerende andere semipublieke sferen.

Een democratisch systeem als geheel lijdt schade wanneer de infrastructuur van de publieke sfeer de aandacht van de burgers niet langer kan richten op de relevante kwesties waarover een besluit moet worden genomen en wanneer het niet langer de vorming van concurrerende openbare – en dat betekent kwalitatief gefilterde – meningen kan garanderen.