Samenvatting literatuur voorbereiding tiende les

Hannah Arendt – Arbeiden, werken, handelen

Waaruit bestaat een actief leven?

Bij de behandeling van deze vraag zal ik uitgaan van de volgende veronderstelling: het eeuwenoude onderscheid tussen twee manieren van leven, tussen een vita comtemplativa en een vita activa.

Het volstaat niet te zeggen dat de meeste mensen een actief leven leiden (…). Het ligt immers in de natuur van de menselijke conditie dat de contemplatie afhankelijk is van allerlei vormen van activiteit – zij hangt af van het arbeiden, en wel om te produceren wat noodzakelijk is om het menselijke organisme in leven te houden, zij hangt af van het werken, en wel om te scheppen wat nodig is om het menselijk lichaam onderdak te bieden, en zij heeft handelen nodig, en wel om het samenleven van vele menselijke wezens te organiseren, liefst zo dat de vrede, de voorwaarde voor de rust van de contemplatie, gewaarborgd is.

In de traditie heeft de vita activa dus betekenis gekregen vanuit de vita contemplativa, het actieve leven werd een geringe waardigheid toegemeten, want het moest slechts voorzien in de noden en behoeften van een levend lichaam dat zich aan de contemplatie wijdt.

Zo rijst de vraag: waarom werd het actieve leven, met al zijn onderscheidingen en geledingen, niet ontdekt na de breuk met de traditie in de moderne tijd, en na de omkering van de traditionele hiërarchische orde, de ‘herwaardering van alle waarden’ bij Marx en Nietzsche?

Typisch voor de beruchte omkering van filosofische systemen of waarde hiërarchieën is dat ze het conceptuele kader zelf intact laten.

Laat mij kort uitleggen hoe de identiteit van dit conceptuele kader zich in onze context toont. Toen ik de belangrijkste menselijke activiteiten opsomde – arbeiden, werken, handelen -, was het duidelijk dat het handelen op de hoogste positie bekleedde.

De introductie van de contemplatie aan de top van de hiërarchie had tot gevolg dat deze hiërarchie inderdaad werd herschikt.

Vanuit het standpunt van de contemplatie was de hoogste bezigheid niet het handelen, maar het werken; de opwaardering van de activiteit van de ambachtsman doet zich voor het eerst en op een dramatische wijze voor in Plato’s dialogen. Het arbeiden blijft vanzelfsprekend op de laagste positie, maar de politieke activiteit (…) wordt voortaan slechts erkend voor zover ze kan beoefend worden op dezelfde manier als de activiteit van de ambachtsman. Alleen als men het politieke handelen beschouwde als een afgietsel van het werken, kon men erop vertrouwen dat het duurzame resultaten zou produceren.

Wanneer je nu de omkering in de moderne tijd bekijkt, dan zie je onmiddellijk dat het belangrijkste kenmerk ervan de verheerlijking van de arbeid is.

Evenwel, als je dieper op de zaken ingaat zul je zien dat niet de arbeid als zodanig deze positie innemen (…), maar wel de productieve arbeid. Opnieuw ligt het eigenlijke criterium in de duurzaamheid van de resultaten.

Arbeiden is een activiteit die beantwoordt aan de biologische processen van het lichaam (sic). (…) Door te arbeiden produceren mensen de noodzakelijkheden waarmee het levensproces van het menselijke lichaam moet worden gevoed. (…) Zolang het leven duurt, komt er aan het arbeiden nooit een einde; het is eindeloos repetitief. In tegenstelling tot werken, dat eindigt wanneer een ding af is (…), beweegt het arbeiden zich steeds in dezelfde cirkel, voorgeschreven door het levende organisme. Aan het zwoegen en slaven komt pas een eind wanneer het individuele organisme ophoudt te bestaan.

In tegenstelling tot alle andere menselijke activiteiten staat het arbeiden in het teken van de noodzaak.

De mens, maker van het menselijk artefact dat wij de wereld noemen (te onderscheiden van de natuur), is geenszins een louter natuurlijk wezen, en ook de mensen, altijd op elkaar betrokken door het handelen en spreken, zijn dat niet. Maar voor zover wij ook gewoon levende wezens zijn, kunnen wij alleen door te arbeiden blijvend en tevreden meedraaien in de door de natuur voorgeschreven cirkel, zwoegend en verpozend, arbeidend en consumerend – met dezelfde gelukkige en doelloze regelmaat waarmee dag en nacht, leven en dood elkaar opvolgen. De beloning voor het zwoegen en slaven (…) is zelfs reëler en minder futiel dan gelijk welke andere vorm van geluk. Ze ligt in de vruchtbaarheid van de natuur, in het rustige vertrouwen dat wie zijn deel van het zwoegen en slaven gedaan heeft, deel blijft uitmaken van de natuur, in de toekomst van zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen.

De zegen van het arbeiden ligt in het feit dat inspanning en bevrediging elkaar even snel opvolgen als productie en consumptie, zodat het geluk het proces zelf begeleidt. Voor menselijke wezens is er geen blijvend geluk noch tevredenheid buiten de voorgeschreven cirkel van pijnlijke uitputting en aangename heropleving.

De duurzaamheid van de wereld der dingen is niet absoluut; wij verbruiken de dingen niet, maar verslijten ze, en als wij dat niet doen, zullen ze eenvoudigweg in verval geraken en terugkeren in het alom aanwezige natuurlijke proces waaraan ze onttrokken werden en waartegen ze door ons opgeworpen werden. Aan zijn lot overgelaten of verbannen uit de menselijke wereld, zal een stoel opnieuw hout worden, het hout zal rotten en terugkeren in de bodem, waaruit de boom groeide totdat hij werd geveld, om het materiaal te worden waarmee men werkt en bouwt.

Tegenover de subjectiviteit van de mensen staat niet de onverschilligheid van de natuur, maar de objectiviteit van het door mens gemaakte artefact. Alleen omdat wij, uit wat de natuur ons geeft, een wereld van dingen opgericht hebben en deze artificiële omgeving in de natuur ingebouwd hebben, om ons tegen haar te beschermen, kunnen wij naar de natuur kijken als iets ‘objectiefs’. Zonder wereld tussen mens en natuur, zou er wel eeuwigdurende beweging zijn, maar geen objectiviteit.

Werken is verdinglijken (reification).

In tegenstelling tot de activiteit van het arbeiden, waar arbeid en consumptie slechts twee fasen zijn van één en hetzelfde proces (…), zijn vervaardiging en gebruik twee totaal verschillende processen. Het einde van het vervaardigingsproces wordt bereikt wanneer het ding af is, en dit proces hoeft niet herhaald te worden. De drang tot herhaling komt voort uit de nood van de ambachtsman om zijn brood te verdienen, d.w.z. van het element arbeid, inherent aan zijn werk. Deze drang kan ook voortkomen uit de vraag naar vermenigvuldiging op de markt. In beide gevallen wordt het proces herhaald om redenen die buiten het proces zelf liggen, en dit in tegenstelling tot de gedwongen herhaling inherent aan het arbeiden, waar men moet eten om te kunnen arbeiden en moet arbeiden om te kunnen eten.

De mens, de maker van het menselijk artefact (…), is inderdaad heer en meester, niet alleen omdat hij zichzelf tot meester van de natuur heeft opgeworpen, maar omdat hij meester is van zichzelf en van wat hij doet. Dit geldt niet voor het arbeiden, waar de mensen onderworpen blijven aan de noodzaak van hun leven, en evenmin voor het handelen, waar ze afhankelijk zijn van hun medemensen.

Het doel rechtvaardigt het geweld.

Op dezelfde manier organiseert het eindproduct het werkproces zelf, beslist het over de benodigde specialisten, de graad van samenwerking en het aantal assistenten of medewerkers. Vandaar dat alles en iedereen hier beoordeeld wordt in termen van geschiktheid en bruikbaarheid voor het verlangde eindproduct, en van niets anders. Vreemd genoeg beperkt de geldigheid van de middel-doelverhouding zich niet tot het afgewerkte product, waarvoor alles en iedereen middel wordt.

Of als ruilvoorwerp (…) wordt het een middel voor verwerving van andere dingen. Met andere woorden, in een strikt utilitaire wereld, zijn alle doeleinden onvermijdelijk slechts van korte duur; ze worden getransformeerd tot middelen voor verdere doeleinden. Eens het doel bereikt, houdt het op een doel te zijn en wordt het een ding onder de dingen, op elk moment transformeerbaar tot een middel waarmee verdere doeleinden kunnen worden nagestreefd. Het probleem met het utilitarisme, dat de filosofie van de homo faber kan worden genoemd, is dat het op een bevreemde manier gevangen raakt in de oneindige keten van middelen en doelen, zonder ooit enig principe te bereiken dat de nuttigheidscategorie zelf zou kunnen rechtvaardigen. De gebruikelijke uitweg uit dit dilemma bestaat erin de gebruiker, de mens zelf, tot ultiem doel uit te roepen om zo de oneindige keten van doelen en middelen te beïndigen.

Door de mens als gebruiker tot ultieme doel te verheffen, versterkt homo faber alleen maar de degradatie van alle andere ‘doeleinden’ tot louter middelen. Wanneer de mens als gebruiker het hoogste doel is, ‘de maat van alle dingen’, dan degradeert niet alleen de natuur (…) tot een louter middel, maar ook de ‘kostbare’ dingen zelf verliezen in dat geval hun eigen intrinsieke waarde.

Deze veralgemening zal altijd de specifieke bekoring zijn van homo faber, ook al keert ze zich per slot van rekening tegen hem: te midden van de bruikbaarheid zal hij blijven zitten met zinloosheid; het utilitarisme kan nooit een antwoord geven op de vraag (…): ‘En wat, alstublieft, is het nut van het nut?’

Handelen betekend, in de meest algemene zin, een initiatief nemen, beginnen (…), of iets in beweging zetten. (…) Alle menselijke activiteiten zijn geconditioneerd door het feit van de menselijke pluraliteit (…). Maar alleen het handelen en spreken houden specifiek verband met het feit dat leven altijd betekend: tussen mensen, tussen mijn gelijken leven. (…) Handelen en spreken zijn zo nauw met elkaar verbonden omdat de primordiale en specifiek menselijke daad altijd ook een antwoord moet zijn op de vraag die elke nieuwkomer gesteld wordt: ‘Wie ben jij?’ De openbaring van ‘wie iemand is’ ligt impliciet vervat in het feit dat sprakeloos handelen in zekere zin niet bestaat, of, wanneer het zich toch voordoet, irrelevant is; zonder spreken verliest het handelen zijn actor, en wij kunnen slechts spreken van een dader van daden voor zover hij terzelfder tijd de spreker is van woorden – de spreker die zichzelf identificeert als actor en die aankondigt wat hij aan het doen is, gedaan heeft of zinnens is te doen.

De onthulling van ‘wie iemand is’ blijft voor de persoon zelf altijd verborgen – zoals de Daimon in de Griekse religie, die de mens zijn leven langs vergezelt, maar die altijd achter zijn rug staat en over zijn schouder meekijkt en dus alleen zichtbaar is voor wie hij ontmoet. Maar ook al is het wie onbekend voor de persoon, toch is het handelen intens persoonlijk. Handelingen zonder naam, zonder een ‘wie’ dat eraan vastzit, zijn betekenisloos.

Waar mensen samenleven bestaat ook altijd een web van menselijke relaties, dat als het ware geweven is door de daden en woorden van ontelbare personen, levenden zowel als doden.

Aan dit reeds bestaande web van menselijke relaties, met zijn strijdige verlangens en intenties, is het te wijten dat het handelen haast nooit zijn doel bereikt. En het is ook door dit medium en de onvoorspelbaarheid die ermee gepaard gaat, dat het handelen, gewild of ongewild, altijd verhalen produceert.

Aangezien wij altijd handelen in een relatieweb, zijn de gevolgen van elke daad grenzeloos: elke daad brengt niet alleen een reactie, maar een kettingreactie teweeg, en elk proces is de oorzaak van onvoorspelbare nieuwe processen. Aan deze grenzeloosheid valt niet te ontkomen. (…) De kleinste daad in de meest beperkte omstandigheden draagt het zaad in zich van dezelfde grenzeloosheid en onvoorspelbaarheid.

Een ander kenmerk van menselijk handelen, dat het zelfs nog gevaarlijker lijkt te maken dan wij toch al met recht veronderstelden. Het gaat namelijk om het simpele feit dat wij nooit ongedaan kunnen maken wat wij gedaan hebben, ook al weten wij niet wat wij doen wanneer wij handelen. Handelingsprocessen zijn niet alleen onvoorspelbaar, zij zijn ook onomkeerbaar; geen actor kan ongedaan maken of vernietigen wat hij gedaan heeft, ook al bevalt zijn handeling hem niet of blijken de gevolgen rampzalig.

Zonder handelen, zonder het vermogen iets nieuws te beginnen en zo het nieuwe begin te articuleren dat met de geboorte van elk menselijk wezen in de wereld komt, zou het leven van de mens, gespannen tussen geboorte en dood, inderdaad reddeloos verdoemd zijn.

Het handelen, met al zijn onzekerheden, herinnert ons altijd opnieuw aan het feit dat mensen, ook al moeten zij sterven, niet geboren zijn om te sterven, maar om iets nieuws te beginnen.