TINEKE BEECKMAN – DOOR SPINOZA’S LENS
Spinoza’s denken bevat een praktische filosofie: ze kan in het dagelijks leven worden aangewend.
Spinoza geeft geen pasklare tips: de toepasbaarheid bestaat erin dat elke mens een manier krijgt om na te denken over het leven, en om te beslissen hoe en wat hij of zij wil veranderen. Spinoza’s denken geeft aan elke geïnteresseerde dus de opdracht om zelf na te denken over het goede leven. Dat maakt de spinozistische filosofie zeer veeleisend en antiautoritair tegelijkertijd: ze vereist een nauwgezette denkoefening om juist geen gedicteerde leefregels te hoeven aanvaarden. Daarin bestaat de vrijheid.
Spinoza’s ethiek zoekt naar het goede leven, maar legt geen geboden of verboden op. Daarin verschilt de ethiek van de moraal.
Vaak spreken we onszelf streng toe, vinden we dat we tekortschieten, dat we niet voldoende aan een ideaal of norm. Daarbij voelen we schuld, schaamte, angst, medelijden, berouw… Dan zijn het de droeve passies die ons animeren. Voor Spinoza is deze weg niet heilzaam. Hij pleit voor een reflectief onderweg-zijn, waardoor we anders en beter met onszelf kunnen omgaan.
Niemand is dus verder verwijderd van het filosofische ideaal dan de moraalridder. Die getuigt van gebrek aan inzicht in zichzelf en de wereld, en van een ijdele zelfoverschatting: de moraalridder wil dat ieder leeft volgens zijn normen en verlangens.
Met deze nadruk op het eigen perspectief, het eigen functioneren, lijkt Spinoza’s filosofie behoorlijk individualistisch, of zelfs egoïstisch. Dat klopt helemaal niet, integendeel. De wijze beseft dat wat goed is voor hem, ook goed is voor de anderen. Een wijs besluit gaat nooit ten koste van anderen.
Redelijk leven is de kunst om goede ontmoetingen te hebben. (…) Dat zijn ontmoetingen die je zelf ten goede komen, die het beste in je naar boven brengen, die je in staat stellen helemaal te kunnen zijn wie je bent.
Hij beschouwt de rede aks het hoogste in de mens. (…) Toch was Spinoza een veel te fijnzinnig observator om te veronderstellen dat de mens een echt rationeel wezen zou zijn. Hij maakt de rede dan ook niet tot een nieuwe afgod. Tot slot valt het politieke leven of het persoonlijke leven moeilijk te begrijpen vanuit de stelling dat de mens rationeel is.
Spinoza (…) sluit dan aan bij de boeiende traditie van de levenskunst zoals die in de oudheid werd beoefend: leer te aanvaarden wat je niet kunt veranderen, maar blijf elk moment ijveren voor wat wel binnen je bereik ligt.
Zijn belangrijkste werken beginnen met een heldere uiteenzetting van God als Natuur (Deus sive Natura).
Zoals Darwin is Spinoza een naturalist: de mens is noch het hoogtepunt, noch het centrum van de schepping. Deze duizelingwekkende gedachte formuleert Spinoza al in de zeventiende eeuw. Ze is het echte schandaal dat Darwin later creëerde: er zijn geen wetenschappelijke aanwijzingen dat de mens met een bepaald doel is geschapen. Vanuit een bepaald plan.
TINNEKE BEECKMANS – HAAL JE IDENTITEIT NIET UIT JE JOB
Identificatie: mensen zien zichzelf als hun werk, ervaren moeilijkheden op hun werk als persoonlijk falen en komen zo in een negatieve spiraal terecht.
Bij elke identificatie zijn er drie beelden die elkaar beïnvloeden. Deze drie veranderen voortdurend.
1. Zelfperceptie: Hoe je naar jezelf kijkt.
2. Presentatie: Hoe je je voorstelt aan de buitenwereld.
3. Designatie: Hoe de buitenwereld naar jou kijkt.
Met de moderniteit werd de baan een belangrijker element van de identiteit. Ze vervangt de sociale status die vroeger uit familiebanden of gemeenschapsfuncties werd afgeleid.
Een job is meer dan een job: het is de bron van levensvervulling. Precies dat ideaal draagt bij aan een burn-out.
Burn-out treft niet alleen mensen die perfectionisch handelen. Maar vooral wie verwacht dat werk een dieper verlangen naar betekenis inlost.
Bedrijven moedigen de verwarring tussen wie je bent en wat je doet aan, om de productiviteit op te drijven: jij hebt een missie! En dus vervagen de grenzen: dit is toch geen labeur, maar passie! Op de werkvloer richt men ontspanningsruimtes in: pingpongtafels, meditatiehoekjes en koffieruimtes. De boodschap is duidelijk: hier vind je alles om optimaal te zijn, en dus te functioneren. Natuurlijk is een fijne werkomgeving belangrijk. Alleen heb je het recht om wat je gelukkig maakt niet op het werk te zoeken.
Deze sluipende bedrijfscultuur is een kolonisering van het innerlijke leven.
In het hedendaagse winstmodel wordt een werknemer als een risicovolle investering beschouwd, als een persoon die veel geld kost en het liefst zo veel mogelijk oplevert. De financiële risico’s wentelen bedrijfsleiders het liefst op de werknemers af. Die moet voortdurend verantwoorden wat hij doet.
Kortom, het ideaal dat werk belooft – een identiteit, levensvervulling – botst met de harde realiteit, met de berekende, afstandelijke logica die tal van de domeinen in de samenleving regelt.
MARLOU VAN PARIDON – ARISTOTELES DE KARDINALE DEUGDEN
Aristoteles bespreekt tientallen deugden. Vier daarvan worden gezien als de kardinale deugden: moed, matigheid, wijsheid en rechtvaardigheid. Dat zijn de deugden waarlangs alle andere deugden scharnieren.
Deugdenethiek gaat om een bepaald soort moraliteit, voorbij plichten, regels en resultaatgerichtheid. Een eigen ethisch kompas ontwikkelen aan de hand van de deugden.
Het socratisch gesprek vormt een uitstekende aanloop tot een deugdenetische oefening. Aristoteles’ visie was dat deugdzaamheid iets is waar je als mens je hele leven aan werkt. Je bent nooit af, maar schaaft dagelijks aan je karakter door te schaven aan je gewoonten.
Je bent nooit definitief moedig, wijs of rechtvaardig, maar je wordt beter in deze deugden naarmate je het juiste midden weet te vinden. Beide uiterste zin onhandig.
Instructies voor het gesprek:
Vraag de aanwezigen zich in het hittepunt te verplaatsen, als zichzelf maar in de situatie van de voorbeeldgever, en de onderstaande vragen te beantwoorden. De bedoeling is om per vraag eerst stil te staan bij ‘de keerzijde van de deugd’ die je hier zelf ervaart. Bijvoorbeeld in het geval van matigheid vraag je je achtereenvolgens af: ‘Heb ik in dit geval een (onhandig/groot) verlangen? En wat is dat dan?’, ‘Als ik dit verlangen temper, verandert er dan iets in mijn denken of handelen?’. En zo ook met de andere deugden.
De Kardinale Vragen
-Matigheid
Welk verlangen moet ik temperen? (Wat is mijn onhandig verlangen?) Welk inzicht levert dit op?
-Moed
Welke angst of ongemak moet ik verdragen? (Wat is mijn onhandige angst/ongemak?) Welk inzicht levert dit op?
-Wijsheid
Waarvoor ben ik blind? Wat moet ik onder ogen zien? Welk inzicht levert dit op?
-Rechtvaardigheid
Wanneer is er balans? Wanneer komt alles en iedereen tot zijn recht? Wel inzicht levert dit op?