Leven volgens de natuur (op de werkvloer) – Dennis de Gruijter
‘De werkelijkheid is in twee categorieën te verdelen: wat wel in onze macht ligt en wat niet in onze macht ligt. Wel in onze macht liggen onze overtuigingen, impulsen, ons streven, ons vermijden, in één woord alles wat tot onze taken behoort; niet in onze macht liggen ons lichaam, bezit, reputatie, ambten, in één woord alles wat niet tot onze zaken behoort.’
-Epictetus, Encheridion 1
WERKELIJKHEID
De werkelijkheid zit problematisch in elkaar en het is typisch menselijk lastige situaties of zo snel mogelijk op te lossen, of ze te vermijden. Maar als het openingscitaat van Epictetus klopt en de werkelijkheid uit twee categorieën bestaat dan vraagt dat om een andere mindset.
-De dingen die ons overkomen en buiten onze macht of controle liggen, zoals een lastige klant, een niet leerbare leidinggevende, een gemiste promotie etc. willen we maar kunnen we soms niet vermijden. We zullen moeten accepteren dat de situatie is zoals hij is.
-De dingen die wel binnen onze macht of controle liggen: dat zijn de persoonlijke eigenschappen die ik kan vormen zodat ik mezelf beter kan verhouden tot de dingen die niet binnen mijn macht liggen. Het paradoxale gevolg kan zijn dat dingen die buiten mijn controle liggen plotseling wel ‘beïnvloedbaar’ zijn.
Hoe voorkom je dat een (sic) mindset verzand in onverschilligheid en cynisme? Hoe breng je een Stoïcijnse mindset in de praktijk als je als team verdwaald bent geraakt in het onderscheid tussen wat wel en niet binnen je macht ligt? Reflectie, experimenteren en filosoferen zijn noodzakelijk, maar komen binnen een organisatie moeilijk aan bod.
WAT IS NU STOÏCIJNS
Posidonius (135-51 v. C.) vergeleek zijn filosofie met een dier: de fysica of natuurfilosofie vormen het vlees en bloed, het denken of de logica zijn de pezen en botten en het gedrag of de ethiek is de ziel van het dier. Alles heeft elkaar nodig en alles versterkt elkaar, niets staat louter op zichzelf. Wie filosofeert onderzoekt dus de natuur, het menselijke denken en het gedrag dat daaruit voort komt. Als je focust op slechts één onderdeel kom je niet verder. Wie filosofeert oefent zelfdiscipline (fysica), heldert het eigen denken op (logica) en handelt in het algemeen belang (ethica).
FYSICA
Volgens de Stoa zijn dit allemaal kleinere systemen die samen functioneren binnen één groot ecosysteem, het universum of de Natuur. Binnen deze kosmos heeft alles zijn plaats, taak, rol en functie. De mens vormt daarop geen uitzondering.
‘Ken Uzelve’ betekent hier, ‘begrijp wat je bent en waar je deel uitmaakt’.
De Stoa stelt (sic) dat wij wel degelijk thuis zijn in deze Natuur en dat wij net als bijen, mezen, algen, eiken, schimmels, kosmische nevels en supernova’s een bepaalde aard en functie hebben. Als wij ons vreemden voelen dan komt dat omdat wij ons zelf hebben vervreemd van wat we zijn en hoe we in overeenstemming met de natuur kunnen leven.
LOGICA
De Natuur heeft een eigen universele logica, de logos. (…) De logos zit in elk organisme ‘ingebakken’.
De vraag of de Natuur intelligent is blijft controversieel. Sommige wetenschappers vinden intelligentie een menselijk concept dat je niet mag projecteren op het gedrag van planten en dieren. Die volgen hun instinct. Andere wetenschappers pleitten voor een ruimere definitie van intelligentie waardoor ook niet-menselijk gedrag als zodanig kan worden begrepen. Voor de oude Stoïcijnen is dit een semantische discussie: instinct is een vorm van intelligentie.
Onze intelligentie reageert niet alleen primair op indrukken maar voegt daar ook nog wat aan toe:
A: een interpretatie van een indruk,
B: of dat goed of kwaad voor ons is,
C: welke emotie daarvoor gepast is.
Deze drie aspecten hangen allemaal af van onze overtuigingen en oordelen.
OVERTUIGINGEN EN OORDELEN
Op al onze interpretaties plakken we een label met goed of slecht (sic). Na het interpreteren en toekennen van waardes voegen we er een gepaste emotie aan toe (sic). (…) Vrijwel alle emoties zijn volgens de Stoa aangeleerd. Blijdschap en verdriet zijn dan natuurlijke reacties op gebeurtenissen, maar wanneer we ze wel en niet moeten laten zien is veelal een kwestie van etiquette of ‘gepastheid’.
De Stoïcijnen delen onze overtuigingen (vormen van rede) op in dispositionele en onmiddellijke oordelen. Dispositionele oordelen (d.o.) zijn de overtuigingen die mij doen neigen naar bepaalde keuzes en hangen samen met mijn streven en vermijden.
In feite is onze rede een warboel van allerlei half doordachte, overerfde en ingesleten overtuigingen. Veel van onze d.o.’s hebben we van onze opvoeders. Een groot deel van de Stoïcijnse logica bestaat dan ook uit het ophelderen, corrigeren en rechtvaardigen van onze interpretaties, oordelen en overtuigingen zodat ze tot een coherent geheel worden.
Volgens Epictetus liggen onze overtuigingen binnen onze macht en behoren ze daarom ’tot onze taken’, namelijk de taak ze te onderzoeken, ze te corrigeren waar nodig en er verantwoordelijkheid voor te nemen. Wij hebben de keuze (…) hoe we met onze indrukken omgaan door te kiezen welke overtuigingen we willen of behoren te hebben.
ETHIEK
De Stoïcijnen menen dat de natuurlijke aard van de mens redelijk en sociaal is. We zoeken elkaar op, enerzijds op basis van zelfbehoud en anderzijds op basis van behoefte aan gezelschap, intimiteit, gezamenlijke arbeid en betekenis.
Wat is er mis met een kudde? Kijk eens hoe ze gezamenlijk optrekken, voor elkaar zorgen, elkaar warm houden en beschermen tegen roofdieren! (sic) De Stoïcijnen zien de mens daarom niet als een individu, maar als een relatie binnen de gemeenschap, waarbinnen zij betekenis vinden in de rollen die passen bij redelijke, sociale dieren. (…) Critici zeggen dan: jullie zeggen dat mensen redelijke dieren zijn maar voorbeelden (sic) tonen aan hoe onredelijk mensen eigenlijk zijn. Dit is echter een paradox: juist omdat we redelijke dieren zijn vertonen we zo vaak on(aan)gepast gedrag.
Het onmiddellijke oordeel (o.o.) is de interpretatie die iemand heeft van een situatie. Het d.o. en het o.o. vul ik nu aan met een emotie die, wederom op basis van mijn overtuigingen, gepast lijkt: verbazing, frustratie, woede, verdriet of verontwaardiging. Deze keten van overtuigingen, oordelen en emoties is een rationeel proces, ook al lijkt de inhoud van die keten onredelijk. Stoïcijnen maken een onderscheid tussen goede redelijkheid (eulogos) en schadelijke redelijkheid (alogos). Uit eulogos volgen goede impulsen, uit alogos schadelijke.
Mijn d.o. wordt, in combinatie met mijn o.o. en de gepaste emotie, een ‘impuls’ tot handelen (ethos). En zoals we in het openingscitaat van Epictetus hebben gezien vallen mijn impulsen ook onder de taken die in mijn macht heb en waar ik dus verantwoordelijkheid voor draag. (…) Wij spreken tegenwoordig over morele overtuigingen in de vorm van normen en waarden. De waarden zijn de (vaak abstracte) zaken die wij waardevol vinden, (…) normen zijn de concrete gedragsregels die wij uit waarden afleiden. (…) Normen hebben een dwingend of voorschrijvend karakter, je moet of mag wel of niet. Waarden zijn meer vrijblijvende keuzes voor zaken die jij belangrijk vindt. (…) Deze zijn op hun beurt geworteld in deugden, oftewel karaktereigenschappen die mensen gezamenlijk verwerven binnen een sociale gemeenschap. En de deugden zijn weer geworteld in ‘primaire noties’ (prolepsis), oftewel morele intuïties die alles mensen hebben. De mens is van nature gericht op het goede of datgene wat goed is voor de mens. Dat is het streven naar zelfbehoud dat we weer delen met andere dieren.
DEUGD
Volgens de Stoïcijnen zijn de vier kardinale deugden zelfbeheersing, moed, rechtvaardigheid en wijsheid. Alle andere voortreffelijke karaktereigenschappen zijn afgeleiden van deze vier.
Door de invloed van de samenleving raken we echter vervreemd van ons oorspronkelijke ‘innerlijke kompas’ (Marcus Aurelius). We leren elkaar eigenschappen en overtuigingen aan die niet passen bij een redelijk, sociaal dier.
Veel zaken zijn adiafora, moreel neutraal. Het goede of slechte hangt af van de keuzes die wij maken (sic). Voor een intense ziekte als kanker geldt in principe hetzelfde als voor een zak geld: het is van zichzelf niet goed of slecht. Het zijn de keuzes die wij maken die wat ons overkomt goed of slecht maken. (…) Hier zijn we voorbeelden van mensen die kiezen hun ziekte op een waardige manier te dragen en daarmee troost en kracht aan andere mensen geven. Dat vereist een sterke zelfbeheersing, moed en wijsheid.
Wie de deugden goed heeft getraind zal steeds beter kiezen.
LEVEN VOLGENS DE NATUUR
De Stoïcijnen menen dan ook dat het goede leven niets meer en niets minder is dan het ‘leven in overeenstemming met de natuur’. Bij dieren gaat dat vanzelf tenzij ze daarin worden gehinderd (…). Mensen leven in overeenstemming met de natuur als zij hun algemene aard als redelijk en sociaal dier en de universele Natuur volgen. Dat laatste betekent dat ze bewust de ‘regels’ of wetten van de Natuur volgen. En die stelt dat wij dienstbaar moeten zijn aan elkaar, verandering normaal is, evenals verlies, ziekte en dood, en wij ons zelf kunnen verwerkelijken door onze natuurlijke deugdzaamheid te ontwikkelen.
In overeenstemming met de Natuur leven is pittig, want zoals gezegd zijn we omringd door mensen, instituties en regels die tegen onze redelijke, sociale aard in gaan. Wij zijn als opgesloten vogels die elkaar en zichzelf uit frustratie kaal pikken. De pijnprikkels die we voelen zijn voor de Stoïcijnen echter positieve signalen: het zijn richtingaanwijzers naar ons innerlijk, Daar ligt werk te doen. We kunnen geode mensen zijn in de meest verschrikkelijke omstandigheden, die keuze is geheel aan ons.