Samenvatting literatuur voorbereiding zevende les

Dirk de Schutter – Elementaire Deeltjes 69: Heidegger

4. Zorg

Het bestaan dat mij is toevertrouwd, is geen onbeschreven blad; integendeel, het is een tekst die ik moet leren lezen en waarvan de betekenis mij gedeeltelijk zal blijven ontgaan. En dat bestaan dat mij overhandigd is, heeft wel sterke als zwakke punten, maar geen van beide zijn op mijn conto te schrijven: dat is de schuld die ik meedraag.

Tegelijk ervaart de mens dat het bestaan waarin hij geworpen is, niet vastligt en dat hij de vrijheid heeft om zijn bestaan zelf vorm te geven. De mens is in het bestaan geworpen met de vrijheid om het te ontwerpen.

De wet van de ‘Jemeinigkeit’: het bestaan voltrekt zich in de moeilijke verhouding tussen het te-zijn-hebben en het te-kunnen. Alles wat de mens overkomt (…) vormt een zijnsmogelijkheid waar hij iets mee moet. Alles wat de mens gegeven is – talenten zoals toneelspelen en toevalstreffers zoals het winnen van de lotto – is een opdracht. Elke gave is een opgave. Het komt er voor de mens op aan te beamen wat hem gegeven is en wat hem overkomt.

De mens bestaat als zijnsmogelijkheid.

De predicaten die aan de mens worden toegeschreven, brengen geen eigenschappen ter sprake, maar bestaansopdrachten.

Mijn bestaan is mij toevertrouwd, het is mijn zorg.

Niet lichaam (corpus) en geest (spiritus) definiƫren de mens, maar de mens hoort toe aan de zorg.

Sein zum Tode.

Om te beginnen gaat het niet om de dood maar om ’ten-dode-zijn’.

De mens is ten dode vanaf zijn geboorte.

Zodra een mens tot leven komt, is hij terstond oud genoeg om te sterven.

Waar het op aankomt, is hoe ik mijn ‘Sein zum Tode’ op mij neem, hoe ik mij de opgave van de sterfelijkheid eigen maak.

Vereinzelung/verenkeling (sic). Dat betekent: in de omgang met mijn sterfelijkheid toon ik wie ik ben, word ik de ‘enkeling’ die ik ben. In de confrontatie met het bestaanstekort word ik wie ik ben, verwerf ik mijn individualiteit. In het alledaagse bestaan wordt de mens in beslag genomen door de routine van afspraken met beslommeringen.

Zoals de tuigsamenhang zich als een losse verzameling van betekenisloze voorwerpen manifesteert op het moment dat het tot mij doordringt dat ik de geplande taak niet aankan, zo overvalt mij de last van het bestaan op het moment dat mijn plannen in het honderd lopen omdat mijn auto niet starten of op het moment dat mijn vrouw me probeert duidelijk te maken dat in mijn overvolle agenda geen plaats meer is voor een korte babbel met haar. ‘Waar ben ik eigenlijk mee bezig?’ is de vraag die mij tot stilstand brengt. Ik word teruggeworpen op mezelf en herinnerd aan mijn ‘Sein zum Tode’, aan de sterfelijkheid die mijn bestaan doorkruist.

Het brengt mij tot stilstand en spoort mij aan om mij ‘Sein zum Tode’ te aanvaarden, om het tekort van mijn zijn te zijn, om het onvermogen dat mijn bestaan doortrekt te dragen.

8. Techniek

De vraag ‘wat is techniek?’ mag volgens Heidegger niet worden beantwoord door een opsomming te geven van het enorme aantal tuigen en instrumenten die homo faber in de loop van de eeuw heeft uitgevonden en geproduceerd. De techniek omschrijven als een systeem is een stap in de juiste richting, op voorwaarde dat we ‘systeem’ niet begrijpen als een geordend geheel van apparaten, maar als een manier van zijn: wij, mensen van de eenentwintigste eeuw, zijn op een technische manier in de wereld, we spreken en denken, we ervaren en handelen op een technische manier, we bestaan in en met en door techniek.

De techniek is volgens Heidegger de (voorlopig) laatste fase in de geschiedenis van de zijnsvergetelheid of in de geschiedenis van de westerse rationaliteit. De techniek is een rationeel systeem waarvan de grondslagen aan het begin van de moderne tijd door Descartes gelegd zijn: techniek en wetenschappen werken samen en vormen een systeem, gebouwd op principes van objectiviteit, verificatie (of falsificatie), mathematisering en functionaliteit. Heidegger duidt dat systeem aan met het Duitse woord ‘Gestell’, dat hij vaak met een koppelteken schrijft: ‘Ge-Stell’. Met die schrijfwijze beklemtoont hij dat de elementen waaruit dit systeem opgetrokken is, te vinden zijn in de vele vormen van ‘stellen’: ‘voorstellen’ (zich voorstellen en voor zich stellen), ‘herstellen’ (vervaardigen), ‘bestellen’ (bewerken, beschikbaar maken), en ‘nachstellen’ (belagen, najagen, opeisen).

Het technisch bestel maakt de spreuk van Bacon ‘kennis is macht’ helemaal waar. Kennis is greep krijgen, een greep die zich concretiseert in ordening en klassering, maar ook in controle en manipulatie. De kennis die het bestel najaagt moet toepasbaar en nuttig zijn.

Op zowel het theoretische als het praktische vlak voert het technische bestel een reductie door: theorie verengd tot berekening, praktijk tot toepassing van de rekensom. Twee woorden karakteriseren volgens Heidegger het bestel: controle en snelheid. Het bestel geeft mensen het vermogen om veel aspecten van werkelijkheid en van het menselijk bestaan te controleren en te manipuleren. Zonder enige twijfel heeft deze controle in grote mate bijgedragen aan het menselijk comfort. Maar het heeft ook de illusie in het leven geroepen dat het mogelijk is om (nagenoeg) alles te controleren en dat (nagenoeg) alles maakbaar is. Heidegger vraagt zich vooral af of de belangrijkste aspecten van het menselijk bestaan controleerbaar en maakbaar zijn. Anders gezegd: of de belangrijkste aspecten van het bestaan zich niet wezenlijk aan de controle en de maakbaarheid onttrekken. Is menselijke identiteit maakbaar? Valt de zorg voor elkaar onder het maken? Is opvoeden een vorm van maken? Wat voor activiteit is leren? Soortgelijke bedenkingen dringen zich op met betrekking tot snelheid.

Het heeft de illusie in het leven geroepen dat elke activiteit snel kan worden uitgevoerd. Heidegger vraagt zich af of de belangrijkste aspecten van het bestaan niet wezenlijk aan de snelheid of versnelling onttrekken. De mens van de eenentwintigste eeuw is heel sterk in alles wat zich voor een snelle controle leent, maar heeft veel moeite met het trage en oncontroleerbare: geduld, tolerantie, aandacht, leren, rouwen.

In ‘Inleiding in de metafysica’, heeft hij het over de ‘eensporigheid’ (‘Eingleisigkeit’) van het technisch bestel; in 1964 publiceert Herbert Marcuse (1898-1979), die bij Heidegger studeerde, het ophefmakende boek One-dimensional Man. In het bestel verschijnen alle problemen als technische problemen en als oplosbaar. Voor Heidegger zijn het menselijk bestaan en de menselijke eindigheid geen problemen die om een oplossing vragen, maar opgaven die de mens op zich moet nemen en waarmee hij in het reine moet komen. Toen ‘Der Spiegel’ in 1966 aan Heidegger vroeg: ‘Wat mankeert er eigenlijk aan? Alles functioneert toch,’ antwoorde hij: ‘Alles functioneert. Dat is juist het beangstigende, dat het functioneert en dat het functioneren aanzet tot steeds verder functioneren…’

Het Antropoceen (…) Heidegger zou dit tijdperk laten beginnen met een moderne paradigmawisseling, die God onttroont en aan de mens soevereiniteit verleent over al wat is. Er is duidelijk iets misgegaan met de idealen van het humanisme: autonomie, vooruitgang, verlichting.

Martin Heidegger – De vraag naar techniek