Samenvatting vierde les

René Gude simplificeert ons leven naar vier lagen. De vier levenssferen
1. Privélaag (thuis, geliefden, familie, vrienden, belangeloosheid, liefde, ongedwongenheid, lichamelijke dingen, intimiteit, zinnelijkheid.)
2. Private laag (werk, geld, contract, prestatie, beloning, plicht, winkelen, produceren, consumeren, marktwerking, collega’s, eigenbelang.)
3. Publieke laag (maatschappelijke vrijheid, vrijwilligerswerk, stichtingen, enthousiasme, engagement, gemeenschappelijke belang, spontaan.)
4. Politieke laag (bestuur, regel, bureaucratie, wetten, stemmen, instanties, algemeen belang.)

De mensheid heeft een culturele colos voor zichzelf geschapen. De vrije tijd Deze vangt Gude in het Agoramodel en bestaat uit de volgende vier kopen. De vier trainingsprogramma’s om de vrije tijd te organiseren.
1. Religie
2. Sport
3. Kunst
4. Filosofie/wetenschap

Condition Bourgeoise, de alledaagse nervositeit van de gezeten burger. We trekken dagelijks hetzelfde tuinhek achter ons dicht en fietsen steeds dezelfde route naar ons werk, doen de boodschappen bij dezelfde supermarkt en keren voor de avondmaaltijd terug naar ons eigen huis. De netto verplaatsing is nul. In dat perspectief kun je concentratieproblemen opvatten als onvoorziene kosten van beschaving, voor iedereen die zich heeft laten verleiden om aan culturele ontwikkelingen mee te doen. Concentratieproblemen ontstaan omdat we ons uit het hier en nu weg kunnen denken. Dat krachtige vermogen om niet direct betrokken te zijn bij onze omgeving (nu versterkt door smartphones?) of bij de vraag wat wij over een paar uur moeten eten heeft daarvoor gezorgd.

Vanaf het moment dat we merkten dat onze hoofden op hol sloegen, zijn we gaan theoretiseren. We creëerde bildungsprogramma’s; beschavingstechnieken, ter lering ende vermaak. Religie, sport, kunst en filosofie zijn programma’s die je staande houden in sociaal onoverzichtelijke tijden, zonder politieke of economische component.

De eenentwintigste-eeuwse leefwereld is, in de woorden van Jürgen Habermas, gekoloniseerd door liberaal individualisme, marktwerking en het bijpassende beschavingsoffensief sport. Onze levensstijl is er diepgaand door beïnvloed, zo sterk zelfs dat we het nauwelijks meer merken. Competitie is inmiddels onze eerste natuur, coöperatie is naar de tweede plaats teruggezakt.

Collectieve zingeving is het bedwingen van de neiging te versimpelen als de buitenwereld complexer lijkt te worden.

Mensen organiseren zich op verschillende niveaus. Welke organiserende principes spelen daarbij een rol? Wat voor soort collectieven vormen wij? Welke invloed hebben die collectieven op ons? Als we dit soort vragen centraal stellen, dan ligt het vertrekpunt net bij het individu maar bij de collectieven die over generaties zijn gevormd en waarin we onze individualiteit ons leven lang vormgeven.

Je wordt eerst gevormd door de collectieven, pas daarna kun je jezelf vormen. (…) Erken dat je als individu een nakomertje bent. (…) Erken dat je in een gezin woont, dat je in een bedrijf werkt, dat je te maken hebt met verenigingen en NGO’s, en dat je in dit prachtige land woont. Stem er als het ware mee in. Pas als je dat gedaan hebt, als je je niet meer afkeert, pas dan mag je kritiek hebben en de collectieven naar je hand proberen te zetten.

Je moet inzien dat er voor verschillende levenssferen verschillende regels gelden en niet de regels van de ene op de andere willen plakken. Dan ga je Nederland als een BV zien in plaats van als een staat met zorg voor haar burgers. Dan neem je je werk mee naar huis en ga je je gezin zien als businessunit.

De trainingssferen zijn er om ons beter/gelukkiger te laten zijn in onze levenssferen. De trainingssferen zijn bruikbaar op alle levenssferen maar sommige passen beter bij de een dan de ander. Denk religie en privé of sport en privaat. Kunst is gekoppeld aan de publieke sfeer omdat dit de sfeer is we kunnen verzinnen zonder competitie of economische belangen.

Individualisme is een heel werkbare, maar tegelijk zeer minimalistische strategie om een maatschappij te vormen. De heersende praktijk (daarbij) is: geen tijdrovend geklets over het geheel, maar aan de slag met de samenstellende delen.. De taal voor het formuleren van gemeenschappelijke doelen, belangen en verantwoordelijkheden bespreken we opzettelijk niet: geen ideologische veren, geen visie alstublieft.

We hebben zingeving te lang met ‘zelfontplooiing’ geassocieerd, waardoor het naar de privésfeer is geduwd. Ik vind het minimaal omdat je de waarde van het leven nu eenmaal niet los kan zien van collectieven. Zingeving heeft toch ook echt te maken met het vermogen om welbewust de collectieven vorm te geven.

Zingeving is de flow die ontstaat als je al je vermogens – je lustgevoelens (appetitus), je wil (voluntas), je zintuigen (sensus) en je verstand (ratio) – worden geactiveerd. Het zijn de grote vier in werking: het Lekkere (lust), het Schone (zintuigen), het Goede (de wil) en het Ware (verstand). Draaien je vermogens op volle toeren, dan heb je essentialistische zingeving te pakken.

Het Lekkere koppel ik aan de religie – daar train je matigheid en zelfbeheersing.
Het Goede en sport horen bij elkaar, omdat je bij sport samenwerkt en moed houdt om een later doel te bereiken.
Het Schone trainen we in de kunst: in het museum en het theater scherp je je verbeelding en inbeelding.
Het Ware ten slotte, hoort duidelijk bij de filosofie: hier gaat het om heldere begripsvorming en goede voorstellingen van zaken.

ZingevingVermogensIdeeënLevenssferenTrainingssferenBildung
ZinnelijkAppetitusLekkerePrivéReligieVormsel
ZinvolVoluntasGoedePrivaatSportVorm
ZintuigelijkSensusSchonePubliekKunstVormgeving
ZinrijkRatioWarePolitiekFilosofieFormalisering

Er zijn veel soorten van liefde, neem samensmelting, zorgzaamheid, waardering van eigenschappen, of onvoorwaardelijke liefde. 
Liefde kan op alles gericht zijn, levende wezens, objecten en concepten. 
‘Is liefde maakbaar?’, vraagt Murdoch zich af, kun je het cultiveren, oproepen, versterken, verbeteren? Kun je houden van je werk en waarom dan? Is dat vanwege de beloning, of de investering die je erin doet, vanwege het genot dat je ervan hebt of de ontwikkeling die het je biedt?

‘Liefde is een morele houding’, zegt Murdoch. Het is een manier van kijken, een manier van in de wereld staan die je kunt aanleren. 
‘Love is the extremely difficult realisation that something other than myself really exists.’ Je kunt het leren. Je kunt ook van je werk leren houden, aldus Murdoch.

Samen met drie andere vrouwen vormde Iris Murdoch in de veertiger jaren de eerste en enige ‘vrouwelijke school’ in de filosofie:  Elizabeth Anscombe, Philippa Foot, Mary Midgley.
Ze brachten de filosofie terug naar ‘het goede leven.’ Ethiek werd opnieuw de vraag naar het goede leven. 

De grote voorbeelden van Murdoch zijn Plato en Simone Weil. Gezien de ellende die de oorlog met zich meebracht wilde ze zich alleen nog maar bezig houden met wat ertoe doet, liefde en vrijheid. Van Plato neemt ze het idee van ‘de soevereiniteit van het goede’ over. Het goede bestaat en is voor iedereen (ook onbewust) een moreel ideaal. Met de grotallegorie van Plato als model laat Murdoch zien dat wij in het duister tasten ten aanzien van zuivere kennis van de werkelijkheid. 

Uit de grot komen en dichter bij de zuivere kennis (het hogere schone) komen is een beweging van reflecteren op je eigen handelen (socratisch gesprek). Als je opstijgt uit de grot kruip je weg van je eigen emoties, frustraties en angsten, je gaat ontzelven en zuiver waarnemen. Volgens Murdoch heeft iedereen het vermogen tot ontzelving. Wij zijn niet in staat ooit de zuivere kennis/ het hogere schone helemaal te zien, maar we dragen daarvan een notie met ons mee in onze ziel (kennis uit vorige levens). Die oude kennis geeft ons richting als we opnieuw op zoek gaan naar het hogere schone.

Haar Ideeën over zuiver waarnemen zijn deels ontleent aan Simone Weil, een tijdgenote, mystica en marxiste, die spreek van ‘het opschorten van het denken’ en leeg en open voor de dingen staan. Wat bij Murdoch ‘liefde’ heet, heet bij Weil ‘aandacht’.

Murdoch zet zich af tegen het destijds populaire behaviorisme. Hierin staat het ‘ik’, het ‘ego’ centraal. ‘Kant’ heeft van de mens god gemaakt, zegt ze. Maar zo gaan we de waarheid niet zien, aldus Murdoch. Als we tot zuivere kennis willen komen dan moeten we ons overgeven aan datgene wat ons ego transcendeert: het goede, het ware en het schone. Waarnemen zonder oordeel is hierin belangrijk: kijken naar een stuk wereld en zien wat de betekenis daarvan is, los van jezelf. 

De morele presentatie van de schoonmoeder in het voorbeeld uit De soevereiniteit van het goede is dat zij opnieuw naar de werkelijkheid gaat kijken. 
Wat volgens Murdoch moreel waardevol is, is de manier waarop iemand denkt, kijkt en voelt. Wie goed wil leven moet aan de binnenkant werken. Liefde kan ons motiveren, trekt ons uit de grot, uit de schijnwereld en trekt ons uit onszelf. Dit is een innerlijk proces dat volgens het behaviorisme niet bestaat. 

Het zelf en het ego zijn objecten van aandacht maar het subject gééft aandacht.
De gedachte ‘het gaat niet om mij, ik heb geen aandeel in wat ik zie’, is heilzaam. Onbevooroordeeld, zuiver aandacht geven is bevrijdend en is liefde. 
Ook zet Murdoch zich af tegen het existentialisme van Jean Paul Sartre. ‘Hij stelt goede vragen maar geeft de verkeerde antwoorden’, zegt ze. 
De existentialist heeft geen idealen en geen waarden. Een keuze is volgens de existentialist niet ingegeven door waarden maar louter door de (onpersoonlijke) wil. 

Hoe leer je wat liefde is, hoe leer je wat kunst is? Aan deze begrippen zit een evaluerende dimensie waar je gaandeweg in het leven grip op krijgt. Dat is een innerlijk proces, je gaat de waarde ervan doorvoelen (en je hebt volgens Plato al een notie van ‘de ideale vorm’ meegekregen – in de ziel- , die jou innerlijk richting geeft. 

Als voorbeeld van omgaan met evaluerende concepten noemt Katrien Schaubroeck concepten met een evaluatieve dimensie (in tegenstelling tot beschrijvende concepten, zie de voorbeelden in de presentatie). Het gaat erom dat er kennelijk zoiets is als impliciete normativiteit die we in ons meedragen maar niet in taal aan elkaar kunnen overdragen.