Samenvatting vijfde les

Vrijheid en verantwoordelijkheid in het oog van het existentialisme.
1. Volgens Søren Kierkegaard zijn er twee ingangen tot het thema vrijheid. Keuze (dus ethiek) en angst (of religie & antropologie). Vrijheid is niet alleen iets waardoor je iets kunt maar vooral waardoor je iets moet.

Er zijn drie verschillende stadia in het leven van de mens. Deze stadia zijn niet zo zeer op een volgend maar meer levenswijzen die elkaar kunnen opvolgen in een niet vast staande volgorde. We gaan doorgaans heen en weer maar zouden de derde stadia moeten zien te bereiken.

I. Esthetisch – Rationaliteit word instrumenteel ingezet voor genot. Genieten van wat er te genieten is en dit genot perfectioneren. Geen hedonisme, maar wel ongebonden vrijheid.
II. Ethisch – De ongebonden vrijheid word pas reëel wanneer er gekozen word. Fladderen word pas liefde wanneer het fladderen stopt. Vrijheid word pas vrijheid wanneer er een keuze gemaakt word. Vrijheid word pas werkelijkheid wanneer het zich aan wetten houd.
III. Religieus – De vrijheid die zichzelf bevrijd van elke vorm van ethiek en rationaliteit.

De vrijheid als keuze is ethische vrijheid. Sartre nam dit over van Kierkegaard. Dit uit zich als bewust ieder moment opnieuw een keuze herhalen. Als je van keuze verandert heb je eigenlijk niet echt gekozen en fladder je nog. De keuze is een opgave omdat je altijd opnieuw hetzelfde bevestigd. Ethiek bind je door vastigheid te maken. Zo is de wereld rondtrekken fladderen omdat je niet kiest om je te vestigen, je houdt bij een echte keuze maken namelijk geen andere opties open (je kiest voor iets, wat een verhouding tot iets bindt). Trouw zijn aan je keuzes en aan jezelf.

2. De definitie van de mens als geest/zelf/subject bestaat uit drie verhoudingen.
I. Een verhouding van: A-Eindigheid/oneindigheid (bewust zijn waar je bent, ophoudt en dat je jezelf kan verplaatsen). B-Tijdelijkheid/eeuwigheid (we zijn ons bewust van onze sterfelijkheid maar kunnen onszelf over de grens van geboorte en dood denken, daardoor ontstaat bijvoorbeeld doodsangst). C-Noodzakelijkheid/vrijheid (bewustzijn van het feit dat elke keuze gebonden is).
II. De verhouding die zich verhoud tot zichzelf (het zelf). We zijn onszelf bewust van de verhoudingen uit I en hoe wij ons hiertoe verhouden.
III. En daarin verhouden wij ons tenslotte tot… Kierkegaard zei tot God’s schepping, atheïstische existentialisten zeggen het feit dat we op de wereld zijn gegooid. Uiteindelijk bedoelen beide de zaken om ons heen zoals bijvoorbeeld de zaken waarvan wij afhankelijke zijn of waarde aan hechten. Hieruit ontstaan opgaven en angsten.

Bij Spinoza (en andere verlichtingsdenkers) is eindig/oneindig uit I een harmonie van de zogenoemde ‘substantie’ waaruit wij bestaan. Bij Kierkegaard (en andere existentialisten) is dit geen harmonie maar een absurdistische botsing waartoe we ons moeten verhouden.

Angst zijn alle manieren waarop de eerder genoemde verhoudingen mis kunnen gaan. Hier volgen bij alle drie de verhoudingen voorbeelden van missers.
I. We kunnen onszelf opsluiten in eindigheid. “Ik ben nu eenmaal zo”, etcetera. Uit de angst oneindig te zijn en anders te kunnen kiezen.
II. Zeggen dat je je tot jezelf verhoud maar dat zelf enkel zien als je brein en neurowetenschappelijke processen. Zo ontken je dualiteiten die mens.
III. Jezelf willen scheppen. Zo mis ken je dat je jezelf moet verhouden tot dingen waarover je geen macht hebt.
De angst is om de opgave van ‘verhouden tot’ aan te gaan en dit belemmerd zo de vrijheid.

Eindeloosheid is een gebrekkigheid.

De opgave is de keuze. De synthese van vrijheid en noodzaak (zoals beschreven in de definitie van het zelf zijn wij dit beide). Er moet een keuze gemaakt worden om beide te kunnen zien maar daardoor zie je ze beide en moet je kiezen.

3. Aurelius Augustinus (4e eeuw na Christus) over vrijheid, wil en schuld.
De Griekse ethiek is bijna belachelijk simplistisch; “we moeten optimaal gelukkig worden door optimale zelfverheerlijking. Dit betekend denken & verlangen (een dynamiek die je zelf doet, niet je biologie) optimaliseren. Dit hoef je enkel te oefenen want vanuit de natuur is alles goed. We willen goed denken en goed verlangen. We kunnen ons vergissen maar niet bewust kwaad/slecht doen.” De Grieken kende het kwaad niet, hierdoor konden dingen niet goed zijn maar nooit kwaad.

Het echte kwaad is willens en wetens iets doen wat niet goed is. Dit ontstaat pas door de komst van het monotheïsme en de ervaring van de zonde, oftewel de opstand tegen God.

Augustinus ontdekte dit omdat hij niet begreep dat Eva in het paradijs de appel at. Eva was al onsterfelijk en in het paradijs bestond geen goed of kwaad dus kennis hiervan was niet nodig. De beloftes van de slang waren waardeloos voor haar. Hoe kon Eva een zonde begaan zonder dat daar een verlangen aan ten grondslag lag? Er was geen motief. Was het misschien simpelweg omdat het niet mocht, vroeg Augustinus zich af. Hiermee ontdekte hij dat de oorsprong van de zonde niet lag in het denken of het verlangen maar in de wil. Een derde vermogen, radicaal anders dan de andere twee. De vrije wil/het vermogen om zelf te kiezen.

Denken word aangetrokken door inzicht, verlangen kan niet anders dan verlangen naar leuk, lekker, etcetera. De wil is het vermogen om te zeggen; ik ben de autonomie.

De wil is niet kwaad maar het is wel het meest zichtbaar in het kwaad. De wil beloond vaak keuzes die tegen het verlangen en denken ingaan. Bijvoorbeeld geen biertje nemen terwijl het verlangen er wel is of weten dat je ziek bent maar dit niet willen geloven. Denk ook aan pubers die zich afzetten of XR demonstranten die zich vastlijmen. De wil vormt het zelf door zich af te zetten tot het zelf af tot de … uit Kierkegaards III.
-Bijna al ons willen is instemmen met verlangen. Ook als de wil ‘nee’ zegt tegen het verlangen bevestigd het zijn bestaan. Er zijn echter situaties waarin het verlangen geen rol speelt. Dit zijn momenten waarbij je moet kiezen tussen twee gelijken (beide bevredigen dezelfde zaken) of existentiële keuzes. Wat voor voorkeur heb ik?
-De wil lijkt machteloos waarin verlangen of denken niet meespelen (denk: voltooid leven). In die machteloosheid ontstaan de angst of het onvermogen. In deze situatie komt voor Kierkegaard het verhouden tot God (wederom de tot…) om de hoek kijken.

Gevaar voor cynisme, onverschilligheid, hoop tegen beter weten in & situaties waarin er geen verantwoordelijkheid is.

De filosofie van verantwoordelijkheid ontstond in 1919 als reactie op de eerste wereld oorlog. Na WW2 werd deze overgenomen door de existentialisten, Levinas en de Frankfurter Schule. Daarna door Hans Jonas als reactie op de milieucrisis. Verantwoordelijkheid word telkens na absurd tragische situaties opnieuw bekeken.

Vrijheid = de taak om een eigen keuze te maken.

Vragen die men zich hieruit omtrent zijn/haar/hen werk kunnen stellen zijn:
-Welke keuze heb jij te maken in je werk? Wat zorgt ervoor dat je dit als jou taak beschouwt?
-Welke band ben jij aangegaan met je werk? Welke keuze heb je gemaakt om die verbinding te verwerkelijken (concreet maken)? Hoe vrij voel je je in deze verbinding?
-Wat wil je in je werk? Met welk verlangen stemt dit in? Met welk denken botst dit? Of anders?

Je kunt de tweeheid niet opheffen, je hebt je hiertoe te verhouden.
-Formuleer een tweeheid waarmee jouw werk jou confronteert? Hoe kun je een synthese maken tussen deze twee elementen? Hoe verwacht je dat deze synthese je vrijer zal maken in je werk?