Woordenlijst

Acculturatie: Een proces waarbij een groep individuen culturele of sociale kenmerken van een andere groep individuen overneemt.

Adiafora: zaken die niet van zichzelf goed noch slecht zijn

Agonistisch: dat wat samenhangt met conflicten tussen individuen (agressie).

Agoramodel: elke levenssfeer, privé (familie, vrije tijd), privaat (werk, geld), publiek (gezamenlijkheid, verenigingsleven) en politiek heeft zijn eigen geschreven en ongeschreven regels en waarheden. Die heb je als mens ooit kritiekloos overgenomen.

Alogos: schadelijke redelijkheid, herkenbaar aan de schadelijke impulsen die eruit volgen.

Casistoe: Iets is zijn eigen oorzaak.

Caveat: Een waarschuwing om iets te overwegen alvorens verdere actie te ondernemen.

Conatus: De aangeboren neiging van iets om te blijven bestaan en zichzelf te verbeteren.

Constitutief: die of dat ervoor zorgt dat iets er komt, dat iets gaat bestaan.

Contemplatie: de doordachte observatie

Daimon: In de oudheid een (meestal) goedaardig wezen dat tussen goden en stervelingen in staat. In de filosofie word de Daimon gezien als een versie van jezelf die een helicopterview toe past en met je in gesprek gaat hierover.

Deductie: Het afleiden van een nieuwe stelling, bewering of hypothese uit bestaande stellingen of theorieën. Vorm van redeneren waarbij het bijzondere uit het algemene wordt afgeleid. Volgens deze denkmethode worden uit algemene stellingen speciale stellingen afgeleid. Als de algemene stelling onomstotelijk waar is, is ook de speciale stelling onomstotelijk waar. Als dit in het algemeen geldt, geldt het ook in dit speciale geval.

De facto: in feite/in de praktijk

Deliberatie: Beraadslagen/overleggen

Deliberatieve democratie: Een vorm van publieke besluitvorming waarin informatievergaring, overleg en de uitwisseling van argumenten centraal staan.

Dialectiek: Het voeren van gesprekken met een serieus onderzoeksdoel.

Differentiatie: (of differentiëren) is het proces waarbij een homogeen geheel wordt verdeeld in delen met verschillende eigenschappen.

Discursieve praktijken: (uit discours)  de manier waarop teksten worden geproduceerd en begrepen. De inhoud van uitingen, maar ook vooral de manier waarop die inhoud wordt geproduceerd, verspreid en geconsumeerd.

Discoursethiek: Een ethische of morele theorie die de geldigheid van normen baseert op het argumentatieve consensus waardoor de norm tot stand komt. De discoursethiek vertrekt vanuit de idee dat achter elke morele discussie een zekere rationaliteit schuilgaat, die de discussie ook net mogelijk maakt, en de onder ideale omstandigheden gevormde consensus tussen de discussiepartners wordt beschouwd als het fundament voor een morele norm.

Dispositie: is een emotionele staat waarin een persoon ontvankelijk wordt voor iets. Iemand die tot iets is gedisponeerd, is daartoe bereid of beschikbaar. Er is hierbij sprake van absolute vrijwilligheid.

Dispositionele oordelen (d.o.): overtuigingen die iemand doen neigen naar bepaalde keuzes en samen hangen met diens streven en vermijden.

Elenchus: weerlegging, verlegenheid of beschaming. Socrates zijn gespreksmethode. De Elenchus heeft daarnaast ook een positief, constructief doel, namelijk iemand bewegen tot verder onderzoek. Elenchus is dus destructief met een therapeutisch doel.

Empirisch: kennis die voortkomt uit wetenschappelijk onderzoek.

Endemonia: bezetten zijn door iets

Epistemisch: kennis betreffend/betrekking hebben op kennis.

Eristiek: Het voeren van twistgesprekken met het doel een debat te winnen.

Ethos: Grieks woord voor karakter en wordt gebruikt om gangbare overtuigingen en idealen van een groep aan te duiden. Voorloper van ethiek. Gedragsimpulsen die voorkomen uit morele oordelen en voertuigingen.

Eudaimonia: Geluk, als in gelukt zijn.

Eulogos: Goede redelijkheid, herkenbaar uit de goede impulsen die hieruit voort komen.

Fenomenologie: een filosofische stroming of methode die de directe ervaring van verschijnselen en objecten – fenomenen – bestudeert. Daarbij worden vooroordelen, interpretaties of theoretische veronderstellingen opgeschort. Niet zozeer het zoeken naar objectieve waarheid, maar het begrijpen van fenomenen zoals ze zich aan ons voordoen staat centraal in de fenomenologie. Zo is een stoel geen stoel maar een paar planken met schroeven en poten.

Fysica: natuurfilosofie, verschijnselen uit het dagelijks leven: beweging, geluid, licht, warmte… maar ook relativiteit, kwantumfysica, elementaire deeltjes en de structuur en oorsprong van het heelal.

Handelingsperspectief: Beschikbare mogelijkheden om in een bepaalde situatie te handelen.

Hilaritos: Opgewektheid

Inductie: Redenering of wetenschappelijke methode die uit het afzonderlijke, bijzondere het algemene afleidt. Uit de herhaalde waarneming dat A op B volgt concludeert men dat in alle gevallen A op B volgt en dat er dus een wetmatig verband bestaat tussen A en B. Via inductie bereikt men geen absolute waarheid, maar alleen waarschijnlijkheid. Het tegenovergestelde is deductie.

Logos: Oudgrieks voor de ratio en de taal. Voorloper van logica. De universele intelligentie die in alle organismen op de eigen wijze tot uiting komt.

Moderniteit: Het gevolg van de geschiedenis.

Nataliteit: het menselijk vermogen iets nieuws te beginnen.

Onmiddellijke oordeel (o.o.): de interpretatie die iemand heeft van een situatie

Parrésia: Vrijmoedig spreken.

Pathos: Oudgrieks voor gevoel, inlevingvermogen.

Pluralisering: Het pluralisme is een filosofische theorie die meer dan één ultieme realiteit en waarde erkent. De werkelijkheid bestaat uit een veelheid van individuele zelfstandigheden. Allemaal met eigen ideeën, overtuigingen, tradities en culturen.  Volgens de sociale wetenschap is pluralisme het naast elkaar bestaan van verschillende culturele groepen in een samenleving. Dit gaat hand in hand met respect voor mensen rechten en religieuze overtuigingen. Bij pluralisering denk ik dan ook aan groeiende tolerantie en begrip voor elkaar.

Polemisch: met een duidelijke stellingname en een beetje ruzieachtig.

Polis: Oudgrieks voor socio-politiek gegeven, een socio-geografisch gegeven.

Potentia: Natuurlijke kracht

Potestas: Het gezag dat iemand met een bepaalde functie heeft en de daarbij horende bevoegdheden.

Primordiaal: bestaand blijvend en vanaf het begin aanwezig (denk het helal)

Prosoche: Innerlijk kompas

Profaan/profane: Wereldlijk, niet kerkelijk/geestelijk, aards.

Prolepsis: primaire noties, morele intuïties die alles mensen hebben.

Regressief: Achteruit of terug gaan. Het tegenovergestelde van progressief.

Regressieve abstractie: Kant’s idee dat wij in fundamentele zaken allemaal hetzelfde zijn.

Regulatief: Regelgevend

Ressentiment: Een boos gevoel omdat je het idee hebt dat jou kwaad gedaan is en dat je dat kwaad wil wreken.

Titillatio: Prikkeling

Universaliseringsprincipe: Het principe van de universalisering. Allen die bij de bepaling van een ethische norm betrokken zijn, aanvaarden de gevolgen die voorzien kunnen worden als een gemeenschappelijk gekozen norm van kracht wordt. Deze gevolgen worden verkozen boven alle andere mogelijke alternatieven.

Volitief: Gewild/ de wil betreffend.

Zoön Politikon: De mens als sociaal dier. De zoön politikon is de burger die in de publieke ruimte zoekt om in gesprek te gaan met andere burgers om gezamenlijk bij te dragen aan een evenwichtige gezonde samenleving.